Naar de inhoud
Cultuur · Geschiedenis

De Moren in Spanje

De Moren zijn geen volk maar een verzamelnaam die Europeanen gaven aan de moslims van Noord-Afrika en het Iberisch schiereiland. Het leger dat in 711 overstak bestond vooral uit Berbers, maar de meeste moslims in middeleeuws Spanje waren nakomelingen van plaatselijke bekeerlingen. Wie na een christelijke verovering bleef, heette mudéjar; na de gedwongen doop van 1502 morisco. Tussen 1609 en 1614 werden zij verdreven.

Gepubliceerd op 5 oktober 2026Leestijd ongeveer 14 minuten
Detail van het stucwerk in de Nasridische paleizen van het Alhambra.
Foto: Alexandre Buisse (Nattfodd), CC BY-SA 4.0, via Wikimedia Commons.
Op deze pagina
Wat het is
Verzamelnaam voor de moslims van Noord-Afrika en Spanje
Herkomst van het woord
Latijn Mauri, naar de Romeinse provincie Mauretania
Periode in Spanje
711 tot 1614
Latere namen
Mudéjares vanaf de twaalfde eeuw, moriscos na 1502
Verdrijving
1609 tot 1614, naar schatting 275.000 tot 300.000 mensen

Waar het woord Moren vandaan komt

Het woord Moren komt niet uit Spanje en niet uit het Arabisch. Het gaat terug op het Latijnse Mauri, de inwoners van Mauretania, de Romeinse provincie die ongeveer samenviel met het noorden van het huidige Marokko en het westen van Algerije. Strabo noteerde aan het begin van de eerste eeuw dat de bewoners zichzelf zo noemden, Griekse schrijvers gebruikten de vorm Maurusii, en Tacitus beschreef hun opstanden tegen Rome. Het was toen een aardrijkskundige aanduiding, zes eeuwen voordat de islam bestond. Wie de geschiedenis van Spanje op volgorde leest, komt het woord pas na 711 tegen in de betekenis die het nu heeft.

Na de verovering van dat jaar ging het alle kanten op. Middeleeuwse Europese schrijvers gebruikten het voor Arabieren, voor Berbers, voor moslims die op het schiereiland geboren waren, en vanaf de veertiende eeuw ook voor mensen met een donkere huidskleur ver buiten dat gebied. De Encyclopaedia Britannica van 1911 noemde het begrip zonder werkelijke etnologische waarde, en sinds het midden van de twintigste eeuw gebruiken historici het niet meer als naam voor een bevolkingsgroep.

In de Spaanse archieven van de middeleeuwen staat het er wel, en daar is het geen scheldwoord maar de gewone term. De christelijke koninkrijken noemden hun moslimse onderdanen moros of sarracenos; het geleerde woord mudéjar dat wij voor diezelfde mensen gebruiken, komt in de documenten van de tijd zelf niet voor. Zo gaat het met bijna alle namen op deze pagina: ze zijn van buitenaf gegeven en vaak pas eeuwen later bedacht. Het gebied dat onder moslimbestuur stond heet Al-Andalus, en de verovering daarvan door de noordelijke koninkrijken heet de Reconquista.

De namen voor de bevolkingsgroepen van middeleeuws Spanje
Naam Wie ermee bedoeld worden Herkomst van het woord
Moren Moslims uit Noord-Afrika en van het Iberisch schiereiland, als verzamelnaam van buitenaf Latijn Mauri, naar de Romeinse provincie Mauretania
Berbers of Imazighen De inheemse bevolking van Noordwest-Afrika; zij vormden het grootste deel van het leger van 711 Imazighen is hun eigen naam, Berbers een naam van buitenaf
Muladíes Inwoners van het schiereiland die moslim werden, en hun nakomelingen Arabisch muwallad, kind van gemengde afkomst
Mozaraben Christenen in Al-Andalus die Arabisch spraken en Arabische gewoonten overnamen Arabisch musta'rab, gearabiseerd
Mudéjares Moslims die bleven wonen in gebied dat de christelijke koninkrijken hadden veroverd Arabisch mudajjan, onderworpen of getemd
Moriscos Mudéjares en hun nakomelingen na de gedwongen doop van 1502 en 1526 Spaans morisco, afleiding van moro

Het leger van 711 bestond vooral uit Berbers

In het voorjaar van 711 stak Tariq ibn Ziyad de zeestraat over bij de rots die zijn naam draagt. Hoe groot zijn leger was, valt niet vast te stellen: de kronieken die erover berichten zijn generaties later opgesteld en hun opgaven lopen uiteen van minder dan tweeduizend tot ruim tienduizend man. Musa ibn Nusayr, de gouverneur van Noord-Afrika, volgde later dat jaar met een tweede leger.

Over de samenstelling zijn de bronnen eensgezinder. Tariqs troepen bestonden grotendeels uit Berbers, de inheemse bevolking van Noordwest-Afrika, die zelf pas kort onder Arabisch gezag stond; het leger van Musa was overwegend Arabisch. Het ging om een veldtocht en niet om een volksverhuizing, en lang niet overal werd gevochten. De meeste steden gaven zich over bij verdrag, waarbij de plaatselijke heer zijn bezit en bestuur behield in ruil voor belasting.

De verdeling van het veroverde land volgde de legerorganisatie. Berberse eenheden kwamen in garnizoen in het midden en het noorden van het schiereiland, tot in de Pyreneeën; de Arabische bovenlaag nam de vruchtbare dalen in het zuiden en langs de Ebro. Dat onderscheid werkte dertig jaar later door. Toen de Berbers in Noord-Afrika in 740 in opstand kwamen tegen het Omajjadische bestuur, muitten ook de garnizoenen in het noorden van het schiereiland en zetten zij hun Arabische bevelhebbers af. De opstand werd in 742 neergeslagen, maar de noordelijke grensforten bleven leeg achter. Alfons I van Asturië nam ze in, en zo ontstond de dunbevolkte strook langs de Duero die de twee machtsgebieden daarna lange tijd scheidde.

De meeste moslims in Spanje waren nakomelingen van bekeerlingen

De veroveraars waren met weinigen in een land met miljoenen inwoners. Wat Al-Andalus in de loop van de eeuwen tot een moslimsamenleving maakte, was dan ook niet de komst van nieuwe mensen maar de bekering van de mensen die er al woonden. Inwoners van het schiereiland die moslim werden en hun nakomelingen heetten muladíes, naar het Arabische muwallad, kind van gemengde afkomst.

Hoe snel dat ging, is niet rechtstreeks te meten, want volkstellingen uit die eeuwen bestaan niet. Historici leiden het tempo af uit indirect bewijs. De bekendste berekening is die van Richard Bulliet uit 1979: hij ging na wanneer in families voor het eerst islamitische namen opduiken in Arabische biografische woordenboeken en leidde daar een curve uit af, die het omslagpunt naar een moslimmeerderheid in de tiende eeuw legt, ruim twee eeuwen na de verovering. Latere onderzoekers hebben die berekening bijgesteld en bestreden, maar de hoofdlijn houdt stand: de bekering verliep over generaties en niet in één keer.

Niet iedereen bekeerde zich. Christenen die hun geloof hielden maar Arabisch gingen spreken en Arabische gewoonten overnamen, worden mozaraben genoemd, naar het Arabische musta'rab, gearabiseerd. Ook dat is een naam van buitenaf: moslims gebruikten hem niet, de christelijke koninkrijken in het noorden wel, voor christenen die uit Al-Andalus naar hun gebied trokken. De oudste bekende vermelding staat in een oorkonde uit het koninkrijk León uit 1024.

Die bekeringsgeschiedenis bepaalt hoe je de rest van dit verhaal leest. De moslims tegenover wie de christelijke koningen vanaf de elfde eeuw stonden, waren in meerderheid geen nieuwkomers maar nakomelingen van Hispano-Romeinen en Visigoten. Noord-Afrikaanse legers kwamen er daarna nog bij: de Almoraviden vanaf 1086 en de Almohaden vanaf 1147, allebei Berberdynastieën die vanuit Marokko het bestuur van Al-Andalus overnamen. Zij vormden een nieuwe bovenlaag en geen nieuwe bevolking.

Mudéjares: moslims onder christelijk bestuur

Vanaf de elfde eeuw draaide de verhouding om. Naarmate de christelijke koninkrijken naar het zuiden oprukten, kwamen hele moslimbevolkingen onder christelijk gezag te staan. In Aragón begon dat met de inname van Huesca in 1096, en tegen het midden van de twaalfde eeuw besloeg het koninkrijk vrijwel de hele Bovenmark van Al-Andalus. De arabiste María José Cervera Fras vat de uitkomst in één zin samen: de verovering veranderde het bestuur en de machtsverhoudingen, niet wie er woonde. Bestuurders, geleerden en geestelijken vertrokken naar gebied dat moslim bleef, en de rest van de bevolking bleef zitten, onder een nieuwe status.

Die status heet mudéjar, naar het Arabische mudajjan, onderworpen of getemd. In de documenten van de tijd zelf komt het woord niet voor. Het kwam in de vijftiende eeuw als leenwoord in het Castiliaans terecht en kreeg zijn huidige betekenis pas rond het midden van de negentiende eeuw, toen onderzoekers het overnamen. Voor hun tijdgenoten waren het moros.

De voorwaarden stonden in capitulatieverdragen. Wie zich overgaf, kwam onder bescherming van de koning en hield zijn godsdienst, wetten, gewoonten, bezit en beroep; de gemeenschap mocht zichzelf besturen met eigen rechters die het islamitisch recht toepasten. Een jaar na de ondertekening moesten de moslims van een stad verhuizen naar een wijk buiten de muren, de morería. Cervera Fras wijst op een verschil dat later zwaar zou wegen. Christenen en joden onder moslimbestuur hadden hun beschermde positie als recht; de mudéjares hadden die als gunst van de koning. Een gunst kan worden ingetrokken, en dat verklaart waarom hun positie per plaats en per eeuw zo sterk uiteenliep.

In de steden bleven zij een minderheid, op het platteland niet. De grootste concentraties lagen in het Ebrodal en de dalen van de zijrivieren op de rechteroever, juist in de bevloeide landbouwgebieden, en in veel dorpen vormden mudéjares de meerderheid. Tegen het einde van de middeleeuwen was ongeveer elf procent van de bevolking van de kroon van Aragón mudéjar. In Castilië ging het om veel kleinere aantallen: voor de vijftiende eeuw worden ruim twintigduizend mudéjares voor het hele koninkrijk genoemd, van wie er zo'n vijfduizend in het Duerogebied woonden. Ook hun zichtbaarheid was geregeld; vanaf de vijftiende eeuw moesten zij in Castilië een blauwe halve maan op de rechterschouder dragen.

Dat verschil tussen het oosten en het zuiden heeft een oorzaak. Toen de moslims van Neder-Andalusië en Murcia in 1264 in opstand kwamen, met steun van het emiraat Granada, sloegen Castilië en Aragón die opstand binnen twee jaar neer; Jacobus I nam Murcia in januari 1266 in. Daarna volgden massale uitzettingen uit Andalusië, en wie in Murcia overbleef werd samengebracht in de voorstad Arrixaca. Veel van die families trokken door naar Granada of naar Noord-Afrika. Zo kwam het dat in het deel van Andalusië dat Castilië in de dertiende eeuw veroverde nauwelijks moslims overbleven, terwijl zij in Aragón en Valencia nog eeuwenlang een groot deel van het platteland bevolkten.

De pecha, de belasting van de overgave

Alle mudéjares betaalden de koning een hoofdelijke belasting die in de bronnen de belasting van de overgave heet. In de vijftiende eeuw werd die omgezet in één vast bedrag voor de hele aljama. Wie bleef, betaalde daardoor meer naarmate er meer buren waren vertrokken, en schulden werden voor veel gemeenschappen de normale toestand. Daarbovenop kwamen de heffingen aan de plaatselijke heer, dezelfde die christelijke boeren opbrachten.

De aljama: zelfbestuur onder toezicht

De moslimgemeenschap van een plaats heette aljama en had eigen bestuurders. De alcadí sprak recht volgens de islamitische wet, de alamín beheerde de gemeenschap en vertegenwoordigde haar bij het christelijke gezag, en de alfaquí was de man van wet en godsdienst. Daarnaast stonden christelijke ambtenaren, de merino en de bayle, die de belangen van de koning of de heer behartigden. Het zelfbestuur was echt, maar het brokkelde af: in de dertiende, veertiende en vijftiende eeuw verschoof de benoeming van die functies van de bewoners van de morería naar de koning of de plaatselijke heer.

De bouwstijl die na de verovering doorging

Het woord mudéjar heeft nog een tweede betekenis, en die is bekender dan de eerste. Toen José Amador de los Ríos in 1859 zijn intreerede hield bij de Academia de Bellas Artes de San Fernando, noemde hij de bouwkunst die in de christelijke koninkrijken met islamitische vormen en technieken tot stand kwam estilo mudéjar. Die naam is blijven hangen voor gebouwen uit de twaalfde tot de zeventiende eeuw, en het is de duidelijkste bijdrage van de mudéjares aan de Spaanse kunst en cultuur.

Het gaat niet om islamitische gebouwen. Het gaat om kerken, kloosters, stadspoorten en paleizen voor christelijke opdrachtgevers, gemaakt met het vakmanschap dat op het schiereiland al eeuwen in huis was: baksteen die tegelijk draagt en versiert, ingelegde geglazuurde keramiek, pleisterwerk, en houten plafonds met een geometrisch patroon van balken, de artesonado. In Aragón zijn de klokkentorens het duidelijkste voorbeeld; ze staan op een vierkante voet en volgen in opbouw de minaret.

De toren van San Martín in Teruel, gebouwd in 1315 en 1316, laat zien hoe dat uitpakt. Het is een poorttoren van baksteen met ingelegde geglazuurde keramiek, opgebouwd uit twee vierkante torens in elkaar met de trap in de ruimte ertussen, en eronder loopt de straat door. UNESCO zette de mudéjarbouwwerken van Teruel in 1986 op de werelderfgoedlijst en breidde die inschrijving in 2001 uit met monumenten in Zaragoza, Calatayud, Tobed en Cervera de la Cañada.

Het bekendste mudéjarwerk staat in Sevilla. Pedro I van Castilië liet halverwege de veertiende eeuw in het Alcázar een paleis bouwen waarvan de gevel in een Latijnse inscriptie het jaar 1364 draagt en de ambassadeurszaal in een Arabische inscriptie het jaar 1366. Waarschijnlijk stuurde Mohammed V van Granada, zijn bondgenoot, daarvoor ambachtslieden uit zijn eigen hoofdstad. Een Castiliaanse koning liet dus een paleis optrekken met Arabische teksten aan de muur, ruim een eeuw nadat zijn voorgangers de stad hadden veroverd.

Mudéjarbouwwerken op de werelderfgoedlijst
Plaats Bouwwerk Op de lijst sinds
Teruel Toren, dak en koepel van de kathedraal Santa María 1986
Teruel Torens van San Pedro, San Martín en El Salvador 1986
Zaragoza De Seo, de toren van San Pablo en het Aljafería-paleis 2001
Calatayud Collegiale kerk van Santa María 2001
Tobed Kerk van de Maagd 2001
Cervera de la Cañada Kerk van Santa Tecla 2001

Bron: El mudéjar, Territorio Mudéjar

Van gedwongen doop tot verdrijving, 1502 tot 1614

Bij de overgave van Granada in 1492 beloofden de capitulatieverdragen de moslims hun geloof, hun taal en hun gewoonten. Die belofte hield geen tien jaar stand. Na een opstand in de wijk Albaicín kregen de moslims van Castilië in 1501 en 1502 de keuze tussen dopen en vertrekken, en in 1526 werd hetzelfde edict uitgebreid naar de kroon van Aragón. Daarmee hield de mudéjarstatus op te bestaan. Cervera Fras verbindt die ommekeer aan de opkomst van de moderne staat, die de middeleeuwse uitzonderingsposities niet langer aanvaardde.

Het gevolg was een massale maar schijnbare bekering. De gedoopten heetten moriscos, in de documenten ook cristianos nuevos de moro, nieuwe christenen van moorse afkomst. Hun eigen geschriften en de processen die de inquisitie tegen hen voerde laten zien dat zij in geloof en gewoonten moslim bleven. Rond 8 december 1504 schreef de Malikitische rechtsgeleerde Ahmad ibn Abi Jum'a al-Wahrani een rechtsoordeel dat hun daarvoor ruimte gaf: wie gedwongen werd, mocht uiterlijk aan de christelijke eredienst meedoen zolang hij innerlijk moslim bleef. Van die tekst zijn vier handschriften bewaard, en er werden nog kopieën van gemaakt in 1609.

In 1567 verbood Filips II bij pragmática het gebruik van het Arabisch en de kleding en gewoonten van de moriscos. In Granada leidde dat tot de opstand van de Alpujarras, die van 1568 tot 1571 duurde. Na de onderdrukking werden tachtig- tot negentigduizend Granadijnse moriscos over de steden van Castilië verspreid, waarmee de grootste en hechtste gemeenschap van het koninkrijk uit elkaar viel.

Op 9 april 1609 tekende Filips III het verdrijvingsbesluit. In Valencia werd het in september afgekondigd en begon de ontruiming op 30 september; Aragón volgde begin 1610, Catalonië in september 1610, en Castilië, Extremadura en Andalusië tussen 1611 en 1614. De telling van Henri Lapeyre komt uit op 275.000 tot 300.000 mensen. Valencia verloor in enkele maanden ruwweg een derde van zijn inwoners en Aragón bijna een vijfde. Voor beide koninkrijken had dat zware gevolgen voor de landbouw en voor de landheren die hun pachters kwijtraakten, terwijl de raad van Castilië in 1619 concludeerde dat de schade daar beperkt was gebleven. De verdrijving viel samen met het hoogtepunt van de Spaanse Gouden Eeuw: dezelfde staat die een wereldrijk bestuurde, aanvaardde binnen zijn eigen grenzen geen tweede godsdienst meer.

Volledig was de verdrijving niet. De historicus Trevor Dadson schat dat ongeveer veertig procent van de moriscos aan uitzetting ontkwam en dat nog eens een vijfde later terugkeerde; andere schattingen liggen lager. Het beeld dat er na 1614 niemand meer over was, komt uit de oudere Spaanse geschiedschrijving en houdt bij nader onderzoek geen stand.

Het woord in het Spanje van nu

Het woord verdween niet met de mensen. In veel Spaanse gemeenten worden jaarlijks fiestas de moros y cristianos gevierd, feesten waarin inwoners zich in twee legers verdelen en een middeleeuwse verovering naspelen. Ze komen vooral voor in de Valenciaanse gemeenschap, in Murcia en in het oosten van Andalusië.

De onderdelen zijn overal herkenbaar: de entrada, waarin beide partijen in optocht de stad binnentrekken, de embajada, waarin twee gezanten elkaar in verzen toespreken, en een slotgevecht met donderbussen om een houten kasteel. Alcoy in de provincie Alicante geldt als het model voor de rest. Het stadsbestuur nam daar in 1511 de plaatselijke militie op in het feest voor de patroonheilige, in 1672 zijn twee compagnieën gedocumenteerd, moren en christenen, en rond 1804 duikt het woord filà op voor de groepen binnen elk kamp. Alcoy telt er nu achtentwintig, veertien aan elke kant, en ongeveer vijftien procent van de inwoners staat als deelnemer ingeschreven. De Valenciaanse regering beschermt het feest sinds 2019 als immaterieel cultuurgoed.

In het hedendaagse Spaans is moro in historische zin een gewoon woord, maar als aanduiding voor Marokkanen of Noord-Afrikanen geldt het als beledigend. De historica María Rosa de Madariaga gaf haar studie uit 2002 over de inzet van koloniale troepen in de Spaanse Burgeroorlog de titel Los moros que trajo Franco, de Moren die Franco meebracht. Zij bedoelde daarmee de Marokkaanse soldaten van het Afrikaleger, die Francisco Franco vanaf eind juli 1936 naar het schiereiland liet overbrengen. Tussen die soldaten en de mudéjares van het Ebrodal liggen meer dan vier eeuwen; het woord is hetzelfde gebleven.

Santiago Matamoros en de slag bij Clavijo

Een tweede spoor loopt via de kerk. Santiago Matamoros, de apostel Jacobus te paard met het zwaard boven gevallen moslims, is een van de meest verspreide beelden in Spaanse kerken. Het gaat terug op de slag bij Clavijo, die middeleeuwse kronieken op 844 dateren en waarbij de apostel zou zijn verschenen om de christelijke troepen te helpen. Die slag heeft niet plaatsgevonden. Juan Francisco Masdeu trok het verhaal in de achttiende eeuw in twijfel, en Claudio Sánchez-Albornoz liet in 1948 zien dat het is opgebouwd uit de wel historische slag bij Monte Laturce van 859. Het verhaal diende een praktisch doel: het rechtvaardigde de Voto de Santiago, een heffing die de kerk van Compostela er eeuwenlang mee binnenhaalde.

Veelgestelde vragen

Waarom heet de Spaanse bouwstijl mudéjar en niet Moors?

Kunsthistorici gebruiken mudéjar voor gebouwen die onder christelijk bestuur tot stand kwamen met islamitische technieken en vormen, en hispanomusulmaans of islamitisch voor gebouwen uit de tijd dat moslims regeerden. De moskee van Córdoba en de Alhambra horen bij de tweede groep, de torens van Teruel en het paleis van Pedro I in Sevilla bij de eerste. In het Nederlands wordt Moors nog voor allebei gebruikt, maar het onderscheid is nuttig, want het zegt wie de opdracht gaf en in welke eeuw.

Wat is aljamiado?

Aljamiado is Spaans, of een andere Romaanse taal, geschreven in Arabische letters. De mudéjares van Aragón gebruikten het al in de veertiende eeuw, omdat zij het Arabisch als taal niet meer beheersten terwijl het schrift bij hun godsdienst hoorde. Onder de moriscos werd het de gewone manier om religieuze teksten door te geven, buiten het zicht van de inquisitie. Een deel van de bewaarde handschriften van het rechtsoordeel uit 1504 is in aljamiado geschreven.

Waar zijn de verdreven moriscos terechtgekomen?

Verreweg de meesten staken over naar Noord-Afrika, vooral naar Tunesië, Marokko en Algerije; een grote groep reisde eerst door Frankrijk. De Aragonese moriscos, daar tagarenos genoemd, stichtten dorpen naar het model van de dorpen die zij hadden verlaten en brachten hun bevloeiings-, bouw- en ambachtstechnieken mee. In Tunesië en Marokko zijn die technieken en die plaatsnamen nog aanwijsbaar. Schattingen van het aantal dat later naar Spanje terugkeerde lopen uiteen van dertigduizend tot vijfenzeventigduizend.

Waarom duurde het ruim een eeuw voordat de moriscos werden verdreven?

Hun arbeid was te waardevol om te missen. Na elke verovering kwam het beide partijen uit dat de bevolking bleef zitten: de moslims hoefden zich niet elders te vestigen, en de christelijke gezagsdragers hielden hun akkers en dorpen bevolkt in plaats van ze opnieuw te moeten bevolken. Datzelfde belang speelde na 1526 nog steeds. De Aragonese edelen steunden de moriscos in hun verzet tegen gedwongen aanpassing, omdat die groep hun landgoederen draaiende hield. Pas in 1610 erkende de kroon stilzwijgend dat de pogingen tot assimilatie waren mislukt.

Bronnen

Verder lezen

Verwante onderwerpen

Cultuur · Geschiedenis

Al-Andalus

Het deel van Spanje dat tussen 711 en 1492 onder moslimbestuur stond, en wat ervan is overgebleven.

Cultuur · Geschiedenis

De Reconquista

De christelijke verovering van Al-Andalus tussen 722 en 1492, en de herkomst van het woord Reconquista.

Cultuur · Geschiedenis

De Spaanse Gouden Eeuw

Wat het Siglo de Oro was, wanneer het begon en eindigde, en waarom de bekendste Spaanse kunst ontstond toen het rijk verzwakte.

Cultuur · Geschiedenis

Spaanse geschiedenis

Van de eerste bewoners van Atapuerca tot de grondwet van 1978: de hoofdlijn van de Spaanse geschiedenis in negen perioden.