Op deze pagina
Twee musea in Madrid, verdeeld op het jaar 1881
Twee musea in Madrid delen de belangrijkste Spaanse staatscollectie, en de grens tussen hun verzamelingen is een jaartal. Toen die collecties opnieuw werden ingedeeld, legde een koninklijk besluit uit 1995 het geboortejaar van Pablo Picasso, 1881, vast als de scheidslijn tussen de verzamelingen van het Museo Nacional del Prado en het Museo Reina Sofía. Het oudere werk hoort sindsdien bij het Prado, het latere bij de Reina Sofía. Die verdeling is een bestuurlijke keuze en past bij de manier waarop Spanje zijn cultuur en erfgoed regelt, waarbij de staat de nationale musea beheert en de autonome gemeenschappen hun eigen monumenten.
Guernica van Picasso verhuisde in 1992 van het Casón del Buen Retiro naar de Reina Sofía, als onderdeel van dezelfde reorganisatie van de twee vaste collecties. De verzameling van de Reina Sofía telt volgens het museum 25.000 stukken, van de laatste decennia van de negentiende eeuw tot nu, met nadruk op Spaanse en internationale kunst en in het bijzonder op Latijns-Amerika.
Aan de oudere kant van de scheidslijn staan de schilders die voor het hof en de kerk werkten. Diego Velázquez, Francisco Goya en El Greco werkten alle drie lang voor dat jaar. El Greco heeft in Toledo bovendien een eigen museum: het Museo del Greco is een van de zestien musea die het Spaanse ministerie van Cultuur rechtstreeks beheert. Het Museo Sorolla in Madrid hoort bij diezelfde zestien en is gewijd aan het werk van Joaquín Sorolla.
Het gebouw van het Prado was zelf niet als museum bedoeld. Het hoort bij de verbouwing van Madrid die Carlos III aan het eind van de achttiende eeuw liet uitvoeren, waarbij rond het Paseo del Prado een reeks wetenschappelijke en culturele instellingen verrees: de koninklijke plantentuin, het astronomisch observatorium, de taalacademie en de academie voor wetenschappen, het huidige Prado. Dat Paseo del Prado was volgens het erfgoedregister de eerste met bomen omzoomde wandelpromenade in een Europese hoofdstad en staat sinds 2021 samen met het Retiropark op de werelderfgoedlijst.
Het museum herschikt zijn hele vaste collectie en brengt de werken naar de bovenste verdiepingen van het Sabatinigebouw. Dat loopt volgens het museum tot 2028 door. Ga je voor een bepaald schilderij, kijk dan kort voor je bezoek op de museumsite in welke zaal het hangt.
Bouwstijlen en waar het werelderfgoed ervan staat
Veel van wat in Spanje kunsthistorisch meetelt, is gebouwd en staat nog op de plek waarvoor het bedoeld was. Het ministerie van Cultuur houdt een register bij van de Spaanse plaatsen op de werelderfgoedlijst, geordend op jaar van inschrijving, en dat register werkt in de praktijk ook als een index op bouwstijl: de kathedraal van Burgos staat er voor de gotiek, Úbeda en Baeza voor de renaissance, en de mudéjarmonumenten van Aragón voor het bouwen met baksteen en keramiek. Welke plaatsen er verder op de lijst staan, staat bij het werelderfgoed in Spanje; de stijlen en hun opvolging komen samen bij de Spaanse architectuur.
Een aantal van die gebouwen heeft een nieuwe functie gekregen. Kloosters, kastelen en stadspaleizen die als hotel zijn ingericht, heten in Spanje parador, en in een deel daarvan slaap je in een eeuwenoud gebouw.
| Stijl | Werelderfgoed | Waar | Op de lijst sinds |
|---|---|---|---|
| Romaans | Catalaanse romaanse kerken van de Vall de Boí | Provincie Lleida, Catalonië | 2000 |
| Gotiek | Kathedraal van Burgos | Burgos, Castilië en León | 1984 |
| Mudéjar | Mudéjar-architectuur van Aragón | Teruel, Zaragoza, Calatayud en omgeving | 1986, uitgebreid in 2001 |
| Renaissance | Renaissancekernen van Úbeda en Baeza | Provincie Jaén, Andalusië | 2003 |
| Modernisme | Werk van Gaudí | Barcelona en omgeving | 1984, uitgebreid in 2005 |
| Modernisme | Palau de la Música Catalana en Hospital de Sant Pau | Barcelona | 1997, uitgebreid in 2008 |
Bron: Ministerio de Cultura, Spaans werelderfgoed per jaar van inschrijving
Romaanse kerken in de Pyreneeën, muurschilderingen in Barcelona
In de Vall de Boí in de provincie Lleida staan negen romaanse kerken uit de elfde tot de dertiende eeuw. Ze zijn opgetrokken uit materiaal uit de omgeving, steen, leisteen en hout, en ze hebben slanke vierkante klokkentorens met blinde arcades naar Noord-Italiaans voorbeeld. Het ministerie van Cultuur noemt de eenheid van het geheel de grootste waarde: er is volgens het register in Europa geen tweede groep kerken die in één periode is gebouwd en de overdracht van een culturele beweging zo duidelijk laat zien.
De schilderingen zijn er grotendeels niet meer. De binnendecoratie, met de altaarfrontalen en het houtsnijwerk, bevindt zich volgens hetzelfde register voor een groot deel in het Museu Nacional d'Art de Catalunya in Barcelona. Wie de vallei bezoekt, ziet dus vooral de gebouwen; wie de muurschilderingen wil zien, moet in Barcelona zijn. Hoe deze kerken in de Europese romaanse bouwkunst passen, staat bij de romaanse kerken in Spanje.
Mudéjar: baksteen en keramiek in christelijke kerken
Het woord mudéjar komt uit de middeleeuwen en duidde een moslim aan die in christelijk gebied woonde en zijn geloof hield in ruil voor een belasting. Dezelfde term staat voor een bouwstijl die in Spanje van de twaalfde tot de zeventiende eeuw opkwam: christelijke gebouwen in romaanse, gotische, renaissance- en later barokke vormen, uitgevoerd met islamitisch ornament en met eenvoudige materialen als baksteen, gips, keramiek en hout. De versiering bestaat uit geometrische en plantaardige motieven, vlechtwerk en rijen bogen.
Het register beschrijft de mudéjarkunst als een uiting die niet bij de westerse en niet bij de islamitische cultuur hoort, maar bij een bepaalde maatschappelijke en politieke situatie. De Aragonese mudéjar kwam in 1986 op de werelderfgoedlijst met de torens en de kathedraal van Teruel, en bij de uitbreiding van 2001 kwamen onder meer de Aljafería en de Seo in Zaragoza en de collegiale kerk van Calatayud erbij; het gaat nu om tien monumenten. Waar de stijl buiten Aragón terugkomt, staat bij de mudéjar-architectuur, en de eeuwen waarin christenen, moslims en joden hetzelfde schiereiland bewoonden bij de geschiedenis van Spanje.
Modernisme in Barcelona: Gaudí, zijn tijdgenoten en hun opdrachtgevers
Het modernisme was een Europese stroming van rond 1900 die in Catalonië en vooral in Barcelona veel navolging kreeg. Volgens het erfgoedregister ging het om meer dan een vormentaal: de beweging wilde het land moderniseren en een eigen identiteit vinden, en de burgerij was haar belangrijkste opdrachtgever. De stroming begon in Engeland, onder invloed van Ruskin en Morris, en draaide om ambacht, natuurlijke vormen en een eerlijk gebruik van materialen.
Niet alles van het Barcelonese modernisme is van Antoni Gaudí. Het Palau de la Música Catalana en het Hospital de Sant Pau zijn van Lluís Domènech i Montaner en staan sinds 1997 op de werelderfgoedlijst, met een uitbreiding in 2008. Het Palau was al bij het ontwerp uitzonderlijk door het gebruik van ijzer en glas: daarmee kon een draagstructuur zonder dragende binnenmuren worden gemaakt, zodat daglicht de concertzaal binnenkomt. Van Gaudí kwamen Park Güell, Palau Güell en Casa Milà in 1984 op de lijst, met een uitbreiding in 2005.
De Sagrada Família is een geval apart. Alleen de geboortefaçade en de crypte staan op de werelderfgoedlijst, sinds 2005, en aan de rest wordt nog gebouwd. De eerste steen ging op 19 maart 1882 de grond in, Gaudí nam het project in 1883 over en werkte er vanaf 1914 alleen nog aan. Op 20 februari 2026 kwam de bovenste arm van het kruis op de centrale Christustoren, waarmee de buitenkant van de hoogste toren klaar was, en op 10 juni 2026 werd die toren gezegend tijdens een mis voor de honderdste sterfdag van de architect. Wat er van het gebouw van zijn hand is, staat bij Antoni Gaudí, en de stroming als geheel bij het Catalaans modernisme.
Musea voor de twintigste eeuw buiten Madrid
De kunst van na die scheidslijn hangt niet alleen in de Reina Sofía. Het Museu Picasso in Barcelona, in een rij panden aan de Carrer Montcada, heeft naar eigen opgave meer dan 4.000 werken. Het werk van Pablo Picasso en dat van zijn Catalaanse tijdgenoot Joan Miró staan elk op een eigen pagina.
Het Teatre-Museu Dalí in Figueres opende in 1974 en is door Salvador Dalí zelf bedacht en ingericht, op de resten van het oude gemeentetheater van de stad dat door brand verwoest was. Er zijn 24 zalen te bezoeken en de collectie omvat meer dan 1.500 stukken: schilderijen, beelden, tekeningen, prenten, installaties, hologrammen en foto's, plus werk van kunstenaars die Dalí bewonderde. Hoe dat oeuvre zich ontwikkelde, staat bij Salvador Dalí.
Ook buiten Madrid en Barcelona staat hedendaagse kunst. Het Guggenheim Museum Bilbao, ontworpen door Frank Gehry, heeft 24.000 m² vloeroppervlak, waarvan 9.000 m² tentoonstellingsruimte. De Baskische regering, het provinciebestuur van Bizkaia en de Solomon R. Guggenheim Foundation zijn de oprichters van het museum.
De Quijote als beginpunt van de Spaanse literatuur
Eén boek wordt vrijwel overal als het beginpunt van de Spaanse literatuur genomen. Het eerste deel van El ingenioso hidalgo don Quijote de la Mancha werd in 1605 gedrukt bij de Madrileense drukker Juan de la Cuesta. Het Centro Virtual Cervantes van het Instituto Cervantes schrijft dat de roman binnen en buiten de Spaanstalige wereld geldt als het eerste klassieke werk van de Spaanse letteren. Het verhaal en zijn hoofdpersoon staan bij Don Quichot, de schrijver bij Miguel de Cervantes. In Valladolid beheert het ministerie van Cultuur het Museo Casa de Cervantes, ook een van de zestien staatsmusea.
Na Cervantes loopt de lijn door naar de dichters en toneelschrijvers van de twintigste eeuw, onder wie Federico García Lorca. Het overzicht van periodes, stromingen en namen staat bij de Spaanse literatuur. Daarbij hoort dat een deel van die literatuur niet in het Spaans is geschreven maar in het Catalaans, het Baskisch of het Galicisch; welke talen dat zijn en waar ze officieel zijn, staat bij de talen van Spanje.
Film en muziek: van Buñuel tot de Premios Goya
De Spaanse film heeft een eigen academie, de Academia de Cine, die jaarlijks de Premios Goya uitreikt en de Spaanse inzending voor de Oscars kiest. De 41e editie van die filmprijzen is op zaterdag 6 februari 2027 in het Navarra Arena in Pamplona, en de nominaties worden op 15 december 2026 bekendgemaakt. Hoe de Spaanse film zich ontwikkelde, van Luis Buñuel tot Pedro Almodóvar, staat bij de Spaanse film.
Muziek en muziektheater horen er ook bij. De zarzuela is Spaans muziektheater waarin gesproken en gezongen scènes elkaar afwisselen, en de Spaanse gitaar is een instrument met een eigen bouwtraditie. De opera Carmen is in Sevilla gesitueerd, maar komt van Franse makers.
De jaren na de dictatuur hebben hun eigen onderwerpen: La Movida madrileña over de stadscultuur die in Madrid opkwam en de Spaanse popmuziek over wat er sindsdien is gemaakt. Ook het Spaanse voetbal hoort bij de populaire cultuur van vandaag.
Azulejos, keramiek en kleding in de staatsmusea
Ook het ambacht is in staatsmusea ondergebracht. Het Museo Nacional de Cerámica y Artes Suntuarias González Martí in Valencia, het Museo Nacional de Artes Decorativas en het Museo del Traje in Madrid horen alle drie bij die zestien staatsmusea. De beglazuurde tegels die in Spaanse kerken, patio's en gevels zitten, heten azulejos; de pottenbakkerstradities per streek staan bij de Spaanse keramiek en kleding en ontwerpers bij de Spaanse mode.
Veel van dat werk is gemaakt om gebruikt te worden, van kerkinterieurs tot de kostuums en versieringen bij plaatselijke feesten. Welk feest bij welke stad hoort en wat er dan gebeurt, staat bij de Spaanse tradities en feesten.