Naar de inhoud
Cultuur · Kunst

Pablo Picasso

Pablo Picasso werd op 25 oktober 1881 in Málaga geboren. Zijn vader was tekenleraar en werd overgeplaatst naar A Coruña en daarna naar Barcelona, waar Picasso zijn opleiding kreeg; in 1897 studeerde hij kort in Madrid. Vanaf 1904 woonde hij in Frankrijk, waar hij op 8 april 1973 stierf. Zijn bekendste schilderij, Guernica uit 1937, hangt in Madrid; zijn vroege werk vooral in Barcelona.

Gepubliceerd op 5 oktober 2026Leestijd ongeveer 13 minuten
Portret van Pablo Picasso door Juan Gris, januari–februari 1912. Reproductie van het schilderij uit het Art Institute of Chicago.
Foto: Juan Gris, Publiek domein, via Wikimedia Commons.
Op deze pagina
Geboren
25 oktober 1881, Málaga
Overleden
8 april 1973, Mougins (Frankrijk)
Volledige naam
Pablo Ruiz Picasso
Stroming
Kubisme, ontwikkeld met Georges Braque
Spaanse plaatsen
Málaga, A Coruña, Barcelona, Madrid, Horta de Sant Joan
Bekendste werk in Spanje
Guernica (1937), Museo Reina Sofía, Madrid

Van Málaga via A Coruña en Barcelona naar Parijs

Pablo Ruiz Picasso werd op 25 oktober 1881 geboren aan de Plaza de la Merced in Málaga, in het huis waar nu het Museo Casa Natal zit. Hij is de bekendste naam uit de Spaanse kunst van de twintigste eeuw, maar hij woonde en werkte vanaf 1904 in Frankrijk, bijna zeventig jaar lang. Zijn werk is daardoor over musea in Spanje en Frankrijk verspreid geraakt, en wie het in Spanje wil zien, heeft met vier heel verschillende collecties te maken.

De verhuizingen uit zijn jeugd volgden de aanstellingen van zijn vader. José Ruiz Blasco (1838-1913) was schilder en tekenleraar in Málaga en beheerder van het gemeentemuseum daar. Toen dat museum in 1890 sloot, werd hij als leraar overgeplaatst naar A Coruña, en in 1891 verhuisde het gezin mee naar Galicië. Daar stierf zijn dochter Conchita op achtjarige leeftijd. Het Museu Picasso in Barcelona beschrijft A Coruña als de plaats waar Ruiz Blasco het schilderen opgaf: zijn eigen tentoonstellingen in de etalages van de stad werden lauw ontvangen, terwijl het werk van zijn zoon werd geprezen. Hij gaf zijn schildersmateriaal aan Pablo.

In 1895 werd zijn vader overgeplaatst naar La Llotja, de kunstacademie van Barcelona, en het gezin verhuisde opnieuw. Picasso was toen bijna veertien. Hij schreef zich in bij diezelfde academie, waar zijn vader tekenles gaf, en volgde er de cursusjaren 1895-1896 en 1896-1897. Barcelona werd de stad van zijn opleiding, zijn eerste tentoonstellingen en een vriendenkring die hij zijn leven lang hield; hij woonde er negen jaar, met onderbrekingen voor Madrid, Horta de Sant Joan en Parijs.

Zijn moeder heette María Picasso López (1855-1938) en hij ging zijn werk met haar achternaam ondertekenen. Zij bewaarde de tekeningen en schilderijen die hij als kind en als tiener maakte. Het Museu Picasso noemt die gewoonte de reden dat de collectie uit zijn eerste jaren nu zo volledig is.

In 1897 ging Picasso naar Madrid om verder te studeren aan de Real Academia de Bellas Artes de San Fernando. Nog voor het studiejaar om was, kwam hij ziek terug in Barcelona. Daarna raakte hij thuis in Els Quatre Gats, de kroeg en ontmoetingsplaats van Barcelonese kunstenaars die in 1897 openging; daar had hij in 1900 zijn eerste solotentoonstelling, en in 1901 hing zijn werk in Sala Parés, samen met dat van Ramon Casas. In die jaren bouwde Antoni Gaudí in Barcelona aan zijn eerste grote opdrachten, terwijl Picasso zich bewoog in de kring van schilders en dichters die in de kroeg bijeenkwamen. In 1904 vestigde hij zich in Parijs.

Horta de Sant Joan, de zomer van 1898

Aan La Llotja had Picasso Manuel Pallarès ontmoet, een vijf jaar oudere medestudent uit Horta de Sant Joan, een dorp in het zuiden van Catalonië. Toen Picasso in 1898 ziek en neerslachtig uit Madrid terugkwam, nam Pallarès hem mee naar huis. Eind juni kwamen ze aan. In augustus trokken ze naar Els Ports, een bosgebied op zestien kilometer van het dorp, waar ze overdag tekenden en schilderden en 's nachts in een grot sliepen; Pallarès haalde hem daar een keer uit de rivier toen hij dreigde te verdrinken. Picasso bleef tot eind januari 1899 weg uit Barcelona.

Het Centre Picasso in Horta, dat dit verblijf documenteert, schrijft aan hem de uitspraak toe dat hij alles wat hij weet in Horta heeft geleerd. Wat hij daar leerde was geen techniek, want hij werkte er nog volgens de academische regels. In zijn correspondentie noemde hij het grote bos in Spanje waar hij zich op zijn zestiende terugtrok de plaats van zijn zuiverste emoties. Terug in Barcelona stopte hij met de lessen aan de academie.

Hoe het kubisme de vaste kijkhoek opgaf

In Parijs ging Picasso in het Bateau-Lavoir in Montmartre wonen, waar hij Guillaume Apollinaire en Max Jacob leerde kennen. Hij maakte er eerst het figuratieve werk uit wat de blauwe en de roze periode wordt genoemd, naar de kleur die in elk van beide overheerst. Volgens het Museo Thyssen-Bornemisza veranderde dat werk onder invloed van twee verzamelingen die hij in Parijse musea zag: Iberische beeldhouwkunst in het Louvre, afkomstig uit Spanje zelf, en Afrikaanse kunst in het Musée d'Ethnographie du Trocadéro.

In 1907 maakte hij Les Demoiselles d'Avignon, het schilderij dat volgens het Thyssen de weg naar de avant-garde opende. Het doek zelf hangt in het Museum of Modern Art in New York, maar het schetsboek met vierentachtig voorstudies ervoor is in 2006 aangekocht door het Museo Casa Natal in Málaga, dat het de enige verzameling van dat soort schetsen in Spaanse collecties noemt.

Het kubisme kwam daarna voort uit zijn samenwerking met de Franse schilder Georges Braque. Het Thyssen omschrijft het als een stijl die het traditionele stelsel van ruimtesuggestie opgaf: in plaats van één vast standpunt met perspectief brachten Braque en Picasso verschillende gezichtspunten op hetzelfde voorwerp tegelijk in beeld, en braken ze de vorm op in vlakken. Ze bouwden daarbij voort op het werk van Paul Cézanne. In de eerste fase, die het analytische kubisme wordt genoemd, hielden ze het kleurgebruik streng beperkt; in de tweede fase, het synthetische kubisme, werd het werk abstracter.

Kubistische landschappen van een bestaand dorp

Op 5 juni 1909 kwam Picasso voor de tweede keer naar Horta de Sant Joan, nu met Fernande Olivier, en hij bleef er drie maanden. Hij maakte er de landschappen La bassa d'Horta en La fàbrica, een reeks over de berg Santa Bàrbara en portretten van Fernande. Het Centre Picasso vat de werkwijze van dat werk samen aan de hand van de Picassokenner Josep Palau i Fabre: hij liet de vlakke massa's los en behandelde volumes als geometrische blokken, bracht diepte met kleur in plaats van met perspectief en gebruikte karige kleuren, okers, grijzen en zachte groenen.

Op deze reis had hij een fototoestel bij zich en fotografeerde hij de plekken en de mensen die hij op doek zette. Het Centre Picasso leest die foto's als een bevestiging dat de kubistische landschappen bij werkelijk bestaande plaatsen horen. In de portretten lopen het landschap en het lichaam van Fernande steeds verder in elkaar over, tot in de twee doeken die het centrum aanduidt als Dona nua sobre fons de muntanyes, naakte vrouw tegen een achtergrond van bergen, niet meer te zeggen is wat berg is en wat lichaam. Begin september vertrok hij, en hij is er nooit meer geweest.

Wat er na het kubisme kwam

Na de Eerste Wereldoorlog en een reis naar Italië keerde Picasso terug naar figuratief werk met monumentale figuren, dat hij zelf klassiek noemde. In de tweede helft van de jaren twintig raakten zijn figuren vervormd onder invloed van de surrealistische kring in Parijs; hij deed in 1925 mee aan een surrealistische tentoonstelling, maar sloot zich nooit bij de groep aan. In de jaren vijftig begon hij werk van oude meesters te herwerken, onder wie Gustave Courbet, Eugène Delacroix en Diego Velázquez. In zijn laatste periode schilderde hij met een losse, expressionistische toets over dood, lijden en liefde. Hij werkte zijn hele leven ook als beeldhouwer, keramist en prentkunstenaar.

Guernica en het bombardement waarnaar het verwijst

Guernica hangt sinds 1992 in het Museo Reina Sofía in Madrid en is het bekendste werk van Picasso dat in Spanje te zien is. Het doek meet 349,3 bij 776,6 centimeter en is in olieverf op linnen uitgevoerd. Hij schilderde het in Parijs tussen 1 mei en 4 juni 1937, in opdracht van de republikeinse regering en bestemd voor het Spaanse paviljoen op de wereldtentoonstelling die dat jaar in Parijs werd gehouden. De Spaanse staat kocht het werk in 1937 rechtstreeks van Picasso; de Spaanse ambassadeur in Frankrijk, Luis Araquistáin, had de opdracht en de betaling onder zich.

Het doek beeldt het bombardement niet na. Er staan een stier, een schreeuwend paard, een vrouw met een dood kind en vallende figuren op; vliegtuigen of bommen komen er niet in voor. Het Museo Reina Sofía beschrijft het werk als een schilderij dat een concrete gebeurtenis met een taal van symbolen tot een algemene uitspraak maakt. Guernica was niet het enige werk waarin Picasso zich tegen Franco uitsprak: het Museo Casa Natal in Málaga kreeg in 1989 de etsenmap Sueño y mentira de Franco geschonken, droom en leugen van Franco.

Gernika en Guernica

Het stadje heet in het Baskisch Gernika en de gemeente heet officieel Gernika-Lumo. Het schilderij staat bekend onder de Spaanse spelling Guernica. Op deze pagina heet het doek Guernica en de plaats Gernika.

Het bombardement van 26 april 1937

Wat er in Gernika gebeurde, is door het Museo de la Paz in het stadje zelf vastgelegd. De aanval hoorde bij de noordelijke veldtocht in de Spaanse Burgeroorlog. Op 31 maart 1937 was Durango al gebombardeerd en lieten de autoriteiten schuilkelders bouwen. Op 26 april om 16.20 uur vielen de eerste bommen op Gernika. Bommenwerpers van het Legioen Condor, de Duitse eenheid die aan de kant van Franco vocht, bombardeerden het centrum en het waterreservoir, terwijl jachtvliegtuigen de bevolking met mitrailleurvuur binnen de bebouwde kom hielden; daarna volgden meerdere golven. Om 19.40 uur was het voorbij. Er werd in die ruim drie uur volgens het museum tussen 31 en 41 ton explosieven afgegooid, grotendeels brandbommen, en de brand in het centrum was dagen later nog niet geblust. Ruim 85 procent van de gebouwen werd verwoest en 99 procent van het stadje liep schade op. De Baskische regering van die tijd, het Gobierno de Euzkadi, registreerde 1.654 dodelijke slachtoffers.

Gernika was niet de enige Spaanse plaats die werd gebombardeerd; het Museo Reina Sofía noemt ook Durango, Madrid, Barcelona, Santander en Alcañiz. Dat juist het bombardement op Gernika wereldwijd bekend is gebleven, verklaart dat museum uit twee dingen: de aanval markeerde het begin van het systematisch bombarderen van burgers als oorlogsmiddel, en de Spaanse Burgeroorlog was de eerste oorlog die ook in de media werd uitgevochten. Van het bombardement zelf bestaan nauwelijks beelden, en het schilderij is in de plaats daarvan het beeld ervan geworden.

Van Parijs via New York naar Madrid

Na de wereldtentoonstelling reisde het doek door Europa en Amerika, en vanaf mei 1939 lag het op verzoek van Picasso in bruikleen bij het Museum of Modern Art in New York, omdat de Tweede Wereldoorlog was uitgebroken. In 1958 verlengde hij die bruikleen voor onbepaalde tijd, tot in Spanje de democratische vrijheden zouden zijn hersteld. Die voorwaarde is tijdens zijn leven niet in vervulling gegaan: hij stierf op 8 april 1973 en Franco stierf in 1975. In september 1981 droeg het museum Guernica met de bijbehorende studies over aan de Spaanse staat.

In Madrid kwam het doek eerst te hangen in het Casón del Buen Retiro, het gebouw naast het Prado. Het Museo Reina Sofía beschrijft die plaatsing als een keuze die Picasso in één lijn zette met Diego Velázquez en Francisco Goya, en merkt op dat die plek in de kunstgeschiedenis de politieke lading van het doek kon verzachten. In juli 1992 verhuisde het naar het Museo Nacional Centro de Arte Reina Sofía, waar het in zaal 205.10 hangt.

Las Meninas, achtenvijftig keer

In 1957 begon Picasso in zijn huis La Californie bij Cannes aan een reeks over Las Meninas, het grote hofportret dat Velázquez in de zeventiende eeuw maakte en dat in het Prado in Madrid hangt. Op 16 augustus maakte hij de enige schets die van het project bekend is, de dag daarna het eerste grote doek, en hij werkte door tot 30 december. De reeks bestaat uit achtenvijftig werken: vijfenveertig bewerkingen van het schilderij van Velázquez, negen schilderijen van duiven, drie landschappen en een portret van zijn vrouw Jacqueline.

De duiven en de landschappen horen bij de reeks omdat hij ze in dezelfde maanden maakte; de duiven schilderde hij naar de duiventil en het uitzicht bij zijn atelier. Zijn vader hield en schilderde duiven, en het Museu Picasso wijst erop dat juist dat dier later door zijn zoon tot vredessymbool is gemaakt.

Picasso schonk de hele reeks in 1968 aan het Museu Picasso in Barcelona, dat elk van de achtenvijftig werken als schenking van dat jaar registreert. Velázquez was voor hem geen nieuwe keuze: in dezelfde collectie zit een kopie die hij in 1897 maakte naar het portret van Filips IV van Velázquez, uit de jaren waarin hij nog academisch werd geschoold. Het origineel van Velázquez hangt in Madrid, de volledige reeks van Picasso in Barcelona.

Waar het werk van Picasso in Spanje te zien is

Het werk van Picasso dat in Spanje hangt, is daar vooral door schenkingen gekomen. In 1957 gaf hij zestien keramische werken aan de stad Barcelona, waaruit later het keramiekmuseum van de stad groeide. In 1962, na de overstromingen in de Vallès bij Barcelona waarbij ongeveer duizend mensen omkwamen, belde hij vanuit Frankrijk op om een werk uit zijn eigen bezit af te staan voor de slachtoffers; daarna deden Joan Miró, Salvador Dalí, Antoni Tàpies, Fernand Léger en Georges Braque hetzelfde, en kwamen er 204 werken voor de veiling bij elkaar. Zijn eigen inzending, een portret van Jacqueline met een Afghaanse hazewind, werd niet verkocht; hij kocht het zelf voor drieënhalf miljoen peseta. In 1970 schonk hij alles wat zijn familie nog in het huis aan de Passeig de Gràcia bewaarde aan de stad Barcelona.

De vier grote collecties overlappen elkaar nauwelijks. In Madrid gaat het om één schilderij, in Barcelona om zijn vormende jaren en de reeks naar Velázquez, en in Málaga om een overzicht van alle decennia plus de voorstudies voor het schilderij uit 1907 waarmee het kubisme begon. Twee kleinere musea vullen dat aan, en in het ene gaat het om getrouwe reproducties en niet om originelen.

Spaanse musea met werk van Picasso, en hoe hun collectie tot stand kwam
Museum en plaats Wat er te zien is Hoe de collectie er kwam
Museo Reina Sofía, Madrid Guernica (1937) en de studies die erbij horen In september 1981 overgedragen door het Museum of Modern Art, sinds juli 1992 in dit museum
Museu Picasso, Barcelona Ongeveer 5.000 werken, het sterkst uit zijn vormende jaren, plus de volledige reeks Las Meninas Collectie van Jaume Sabartés bij de opening in 1963, schenking van Picasso in 1970, 41 keramieken van Jacqueline Picasso in 1982
Museo Picasso Málaga, Palacio de Buenavista 233 werken uit alle decennia tussen 1890 en 1970 155 werken geschonken door Christine en Bernard Ruiz-Picasso in 2003, zes in 2010, 72 aangekocht
Museo Casa Natal, Málaga Zijn geboortehuis, en bijna 7.000 werken van ruim 200 kunstenaars, waaronder het schetsboek voor Les Demoiselles d'Avignon Eerste grote schenking in 1989, daarna verdere schenkingen en aankopen; beheerd door de gemeente Málaga
Museo Picasso Colección Eugenio Arias, Buitrago del Lozoya Wat Picasso aan zijn barbier gaf: tekeningen, grafiek, fotografie, keramiek en opgedragen boeken Eugenio Arias droeg zijn verzameling in 1982 over aan de regio Madrid, museum open sinds 1985
Centre Picasso, Horta de Sant Joan Getrouwe reproducties van het werk dat hij in Horta maakte, geen originelen Opgezet in het dorp zelf als eerbetoon aan zijn twee verblijven

Wat er hangt, wisselt per periode

Het Museo Casa Natal beheert bijna 7.000 stukken en toont die in wisselende tentoonstellingen, in het geboortehuis op Plaza de la Merced 15 en in het pand op nummer 13 van hetzelfde plein; het leent ook werk uit aan andere steden. Wie voor één bepaald werk komt, zoals het schetsboek voor Les Demoiselles d'Avignon, doet er goed aan vooraf te kijken wat er op dat moment te zien is.

Veelgestelde vragen

Waarom heet hij Picasso en niet Ruiz?

In Spanje krijgt een kind twee achternamen: eerst die van de vader, daarna die van de moeder. Zijn vader heette José Ruiz Blasco en zijn moeder María Picasso López, en hij ging zijn werk met de achternaam van zijn moeder ondertekenen. Het Museu Picasso in Barcelona noemt haar onvoorwaardelijke vertrouwen in zijn talent en haar gewoonte om zijn jeugdwerk te bewaren als de twee redenen waarom het museum veel aan haar te danken heeft.

Was Picasso een Andalusiër of een Catalaan?

Volgens het Museo Casa Natal benadrukte hij zijn Andalusische herkomst en protesteerde hij wanneer een slecht ingevoerde journalist hem de Catalaanse schilder noemde. In Málaga woonde hij bij elkaar nauwelijks tien jaar: hij vertrok in 1891 en kwam terug in de zomers van 1895, 1896, 1897 en 1899 en een paar winterdagen tussen 1900 en 1901. Zijn opleiding, zijn eerste tentoonstellingen en zijn vriendenkring lagen in Barcelona. Het museum in Málaga noemt onderwerpen die uit zijn jeugd daar komen en in zijn werk terugkeren: het stierenvechten, de duiven en het mediterrane.

Kun je Guernica ook buiten Madrid zien?

In Gernika zelf hangt het schilderij niet. Het origineel is in Madrid, en het Museo de la Paz in Gernika legt het bombardement vast, met een documentatiecentrum en een tijdlijn. Er bestaan wel geweven kopieën: het atelier van Jacqueline de la Baume Dürrbach in Aubusson maakte in opdracht van Nelson Rockefeller drie wandtapijten naar Guernica, met toestemming van Picasso. Eén daarvan hangt bij de ingang van de Verenigde Naties in New York, een ander in het Musée Unterlinden in Colmar.

Welk Spaans Picassomuseum past bij welke belangstelling?

Voor Guernica en de studies eromheen moet je in Madrid zijn. Voor het vroege werk, van kindertekeningen tot de blauwe periode, en voor de volledige reeks naar Las Meninas is Barcelona de plek; die collectie van ongeveer vijfduizend stukken is de meest complete uit zijn vormende jaren. Wil je een overzicht van alle decennia, dan is het Museo Picasso Málaga in het Palacio de Buenavista daarop ingericht, met werk uit de jaren 1890 tot 1970. En wie de kleinste verzameling wil zien, de tekeningen en de keramiek die hij aan zijn barbier gaf, moet naar Buitrago del Lozoya, 78 kilometer noordelijk van Madrid in de Sierra Norte.

Bronnen

Verder lezen

Verwante onderwerpen

Cultuur · Kunst

Antoni Gaudí

De Catalaanse architect achter de Sagrada Família: zijn bouwmethode, zijn zeven werelderfgoedwerken en wat er nog niet af is.

Cultuur · Kunst

Salvador Dalí

De surrealist uit Figueres: zijn werkwijze, de kust in zijn schilderijen en waar zijn werk nu te zien is.

Cultuur · Kunst

Diego Velázquez

De hofschilder van Filips IV: zijn loopbaan van Sevilla tot Madrid, Las Meninas, de overgave van Breda en waar zijn werk hangt.

Cultuur · Kunst

Kunst en cultuur in Spanje

Een koninklijk besluit uit 1995 verdeelde de Spaanse staatscollectie op het geboortejaar van Picasso.