Naar de inhoud
Cultuur · Tradities

Flamenco

Flamenco is een muziek- en danstraditie uit Andalusië die uit drie onderdelen bestaat: cante (zang), toque (gitaarspel) en baile (dans). De zang staat in het midden, met gitaar, handgeklap en dans eromheen. De vorm is verdeeld over tientallen palos, stijlen met elk een eigen ritme, stemming en streek van herkomst. UNESCO plaatste flamenco in 2010 op de lijst van immaterieel erfgoed.

Gepubliceerd op 5 oktober 2026Leestijd ongeveer 12 minuten
Een houten stoel met gitaar op een klein podium, daarachter een zwaar donkerrood gordijn.
Op deze pagina
Soort
Zang, gitaarspel en dans
Kerngebied
Andalusië, met Murcia en Extremadura
Onderdelen
Cante, toque en baile
Stijlen
Ruim vijftig palos
Erfgoed
Op de UNESCO-lijst sinds 16 november 2010

Zang, gitaar, dans en handgeklap

Flamenco is een muziek- en danstraditie uit het zuiden van Spanje die uit drie onderdelen bestaat: cante (zang), toque (gitaarspel) en baile (dans). Tussen de Spaanse tradities en feesten staat flamenco apart, want het is geen feest op een vaste datum maar een vorm die het hele jaar door wordt uitgevoerd, op podia en in besloten kring.

De zang staat in het midden. De oudste stijlen, de tonás, worden zonder begeleiding gezongen. De gitaar kwam er later bij, en volgens de omschrijving van UNESCO is het gitaarspel allang meer dan begeleiding. Daaromheen horen twee onderdelen die een bezoeker makkelijk over het hoofd ziet. De palmas zijn het handgeklap dat de maat draagt, en de jaleo is het roepen waarmee begeleiders en publiek de uitvoerenden aanmoedigen. Ook het voetenwerk van de danser is percussie en draagt mee aan het ritme.

De uitvoerenden heten in het Spaans cantaor, tocaor en bailaor, met bailaora voor een danseres. Buiten Spanje wordt flamenco vaak als de Spaanse traditie bij uitstek gepresenteerd, terwijl het binnen de Spaanse cultuur in de eerste plaats Andalusisch is. Las Fallas in Valencia en San Fermín in Pamplona hebben hun eigen muziek en hun eigen geschiedenis. UNESCO noemt naast Andalusië ook Murcia en Extremadura als streken waar de traditie wortels heeft; het Instituto Andaluz del Flamenco wijst daarbij op de mijnbouwgebieden rond Almería, Linares en La Unión en op de weidegronden van Badajoz.

Een flamencogitarist van achteren
Een flamencogitarist van achteren.
Dansschoenen op een houten vloer
Dansschoenen op een houten vloer.

De palos: ritme, stemming en streek

Flamenco bestaat niet uit één vorm maar uit tientallen stijlen, die palos heten. Flamencópolis, het naslagwerk van flamencoloog Faustino Núñez, behandelt er ruim vijftig, van veelgespeelde stijlen als de soleá en de bulerías tot vormen die je zelden hoort. Wat een palo tot een palo maakt, is een combinatie van vier dingen: het ritme, de toonsoort, de stemming van de teksten en de streek waar de stijl is ontstaan.

Het ritmische patroon heet compás, en dat is meestal het eerste wat een luisteraar leert herkennen. Een flink deel van de palos loopt in een cyclus van twaalf tellen waarin de klemtonen ongelijk verdeeld zijn. De soleá en de seguiriya tellen allebei tot twaalf, maar leggen de accenten op andere tellen, en daardoor klinken ze volkomen verschillend. Andere palos lopen in vier tellen, zoals de tangos, of in drie, zoals de meeste fandangos. Een derde groep heeft helemaal geen vaste maat: in de malagueña en in de mijnwerkerszang volgt de gitarist de zanger, die zijn frasen zo lang maakt als hij wil.

De tabel hieronder geeft de palos die je het vaakst tegenkomt. De indeling in twaalf, vier en drie tellen is een vereenvoudiging, want muziekwetenschappers noteren dezelfde cyclus op verschillende manieren en binnen één palo bestaan plaatselijke varianten.

Sevillanas, de palo die iedereen danst

Sevillanas staan in de meeste overzichten bij de palos, maar werken anders dan de rest. Ze lopen in drie tellen, volgen een vaste opbouw en worden in paren gedanst door de aanwezigen zelf, niet door een solist op een podium. Het is een dans om aan mee te doen, en daarom leert vrijwel iedereen in Andalusië hem.

Veelgehoorde palos en wat ze onderscheidt
Palo Maat Karakter Streek van herkomst
Soleá Twaalf tellen Traag en ernstig Triana in Sevilla
Seguiriya Twaalf tellen, andere klemtonen Klagend, een van de oudste vormen Driehoek Cádiz, Jerez en Sevilla
Bulerías Twaalf tellen, snel Feestelijk, veel ruimte om te improviseren Jerez de la Frontera en Utrera
Alegrías Twaalf tellen Licht en opgewekt Cádiz
Tangos Vier tellen Bewegelijk Andalusische havensteden
Tientos Vier tellen Traag en plechtig Andalusische havensteden
Fandangos Drie tellen of vrij Tientallen varianten naast elkaar Huelva en de rest van Andalusië
Malagueña Vrij, zonder vaste maat Zang met lange uithalen Málaga
Taranta en andere mijnwerkerszang Vrij, zonder vaste maat Over werk en armoede in de mijnen Almería, Linares en La Unión
Sevillanas Drie tellen In paren gedanst op feesten Sevilla

Bron: Palos flamencos, overzicht van maatsoorten, karakter en herkomst

Hoe oud is flamenco en waar komt het vandaan?

Over het begin van flamenco bestaan geen geschreven bronnen. Het lesmateriaal over flamencogeschiedenis van de Junta de Andalucía noemt de herkomst om die reden vrijwel niet te achterhalen: alles werd mondeling doorgegeven, en de eerste namen van zangers duiken pas rond 1775 op, met Tío Luis de la Juliana uit Jerez als bekendste voorbeeld. Het woord flamenco als aanduiding van een muziekstijl verschijnt pas rond het midden van de negentiende eeuw in druk.

Waar flamenco zich heeft ontwikkeld, is wel duidelijk: in de steden en dorpen van westelijk Andalusië, grofweg in de driehoek Cádiz, Jerez de la Frontera en de Sevillaanse wijk Triana, onder arme stadsbewoners en onder gitanofamilies. De gitanos, de Spaanse Roma, zijn vanaf 1425 in de bronnen van het schiereiland terug te vinden, toen een reizende groep in Zaragoza een vrijgeleide kreeg van Alfons V van Aragón. Daarna volgden eeuwen van wetgeving die hun taal, hun kleding en hun rondtrekken verbood. In 1749 liet de regering van Fernando VI ongeveer tienduizend gitanos in één gecoördineerde actie oppakken, waarbij mannen werden gescheiden van vrouwen en kinderen. Dat flamenco groeide in een groep die van het openbare leven was uitgesloten, verklaart mede waarom er zo weinig op papier is vastgelegd.

Over het aandeel van de gitanos is decennialang gestreden. Ricardo Molina en Antonio Mairena stelden in Mundo y formas del cante flamenco uit 1963 dat de gitanos de kunstvorm hebben gemaakt en hem binnenshuis hebben bewaard tot het moment dat er geld mee te verdienen viel. Andere onderzoekers hielden vol dat flamenco uit de Andalusische volksmuziek is voortgekomen en dat de gitaanse bijdrage bepalend was maar niet exclusief. De huidige lezing combineert die twee: de vorm ontstond in Andalusië, met een aandeel van de gitanos dat UNESCO in haar besluit wezenlijk noemt.

Instellingen die over flamenco publiceren noemen daarbij vaak een lange rij culturen, van Feniciërs en Romeinen tot joden en moslims. Als achtergrond van de Andalusische muziekcultuur is dat aannemelijk, maar er loopt geen aantoonbare lijn van die culturen naar afzonderlijke palos. Wie leest dat een bepaalde stijl rechtstreeks uit de Moorse of de joodse traditie stamt, leest een vermoeden en geen vaststelling.

Waar het woord vandaan komt

Voor het woord flamenco bestaan vier verklaringen en geen overeenstemming. Antonio Machado y Álvarez, die onder het pseudoniem Demófilo schreef, meende in 1881 dat gitanos in Andalusië flamencos werden genoemd. De musicoloog Felipe Pedrell bracht het terug op Vlaamse hofmuzikanten uit de tijd van Karel V, wat niet klopt met de datering van de eerste vermeldingen. Blas Infante stelde een Arabische herkomst voor, afgeleid van een uitdrukking voor boeren zonder land. Een vierde verklaring verwijst naar de vogel, vanwege de houding van de danser. Geen van deze voorstellen heeft de andere verdrongen.

Van de cafés cantantes naar de ópera flamenca

De cafés cantantes maakten van flamenco een beroep. Dat waren zalen met een podium waar tegen betaling werd gezongen en gedanst; in Sevilla bestonden ze vanaf de jaren veertig van de negentiende eeuw. De bekendste werd geopend door zanger Silverio Franconetti, die in 1881 een eigen café begon aan de calle Rosario. Er werd betaald, vergeleken en geconcurreerd, en daardoor kregen de palos vastere vormen.

In hetzelfde jaar verscheen de eerste verzameling flamencoteksten. Antonio Machado y Álvarez publiceerde in Sevilla zijn Colección de cantes flamencos: honderden coupletten uit stijlen als de martinete, de toná en de seguiriya, met een voorwoord over de herkomst van de cantes, een levensbeschrijving van Silverio Franconetti en een lijst van zangers. Met dat boek begon het onderzoek naar flamenco als onderwerp op zichzelf.

De bekendste gebeurtenis uit de vroege twintigste eeuw is het Concurso de Cante Jondo van 13 en 14 juni 1922, op de Plaza de los Aljibes in het Alhambra van Granada. Componist Manuel de Falla en dichter Federico García Lorca organiseerden de wedstrijd omdat zij vonden dat wat zij cante jondo noemden dreigde te verdwijnen onder de commerciële podiumkunst. Beroepsartiesten mochten niet meedingen. De jury, met zanger Antonio Chacón als voorzitter, vond geen enkele deelnemer goed genoeg voor de hoofdprijs en liet die vervallen; de Zuloaga-prijs ging naar Diego Bermúdez, bijgenaamd El Tenazas, en ook de dertienjarige Manolo Caracol viel in de prijzen. Het onderscheid dat Falla en Lorca maakten tussen zuivere volkskunst en bedorven flamenco geldt inmiddels als een oordeel van hun tijd en niet als een historische scheidslijn. Wat hun wedstrijd wel bereikte, is dat schrijvers, componisten en schilders zich met flamenco gingen bezighouden.

Tussen ongeveer 1920 en 1955 verhuisde flamenco naar grote zalen, theaters en stierenarena's. Die periode heet ópera flamenca. Het publiek werd groter, de programma's werden lichter en de zwaarste palos raakten op de achtergrond. Onder het franquisme werd flamenco samen met het stierenvechten ingezet als beeld van één Spaanse identiteit, een gebruik waar artiesten zich in de jaren zestig en zeventig tegen afzetten door flamenco juist als protestvorm te gebruiken.

Mairena, Camarón en wat daarna kwam

Vanaf het midden van de jaren vijftig kreeg flamenco een eigen studiegebied. Anselmo González Climent gaf dat vakgebied in 1955 met zijn boek Flamencología zijn naam, en in 1958 opende in Jerez de la Frontera de Cátedra de Flamencología, het eerste instituut dat zich er volledig aan wijdde. Córdoba begon in 1956 met het Concurso Nacional de Arte Flamenco, en in 1962 ging de Llave de Oro del Cante naar Antonio Mairena, die de belangrijkste vertegenwoordiger werd van een strenge, op de oude palos gerichte school. In diezelfde jaren namen tablaos de rol van de cafés cantantes over.

De grootste verandering kwam van twee artiesten uit de provincie Cádiz. Zanger José Monje Cruz (1950 tot 1992), bekend als Camarón de la Isla, en gitarist Paco de Lucía (1947 tot 2014) namen tussen 1969 en 1977 een reeks platen samen op. In 1979 bracht Camarón La leyenda del tiempo uit, met klanken uit jazz en rock en met teksten naar gedichten van García Lorca. De plaat verkocht veel slechter dan zijn eerdere werk en werd door de behoudende flamencowereld afgewezen. Inmiddels geldt La leyenda del tiempo als het beginpunt van wat nuevo flamenco is gaan heten.

Paco de Lucía veranderde ondertussen de bezetting van de flamencogroep. Hij hoorde eind jaren zeventig in Lima de Peruaanse cajón, een houten kist waarop de speler zit en die hij met zijn handen bespeelt, en nam het instrument mee naar zijn sextet. Sindsdien speelt vrijwel elke flamencogroep er een. Met dat sextet en in opnamen met jazzmusici als John McLaughlin en Al Di Meola haalde hij ritmes en harmonieën van buiten de traditie naar binnen. Zijn rumba Entre dos aguas uit 1973 werd een verkoopsucces dat ver buiten het flamencopubliek reikte.

De erkenning door UNESCO en de Andalusische flamencowet

Op 16 november 2010 plaatste het erfgoedcomité van UNESCO flamenco op de representatieve lijst van immaterieel erfgoed, op voordracht van Spanje. In het besluit staat dat de traditie stevig in haar gemeenschap is geworteld en van generatie op generatie wordt doorgegeven, via families, artiestendynastieën, sociale groepen en flamencoclubs. Dat de voordracht verder reikte dan Andalusië is in het besluit terug te zien: het noemt de inschrijving van flamenco in het erfgoedregister van de regio Murcia.

Andalusië houdt sinds 2011 op 16 november de Día del Flamenco. De Andalusische flamencowet gaat verder dan een gedenkdag. Die wet, de Ley 4/2023 van 21 april 2023, richt een Museo del Flamenco de Andalucía op en stelt een strategisch plan voor zes jaar en een adviescommissie in. Ze maakt ook een Registro Andaluz del Flamenco aan en verplicht de regio flamenco in het onderwijs op te nemen en universitair onderzoek te steunen.

De erkenning is geen keurmerk voor voorstellingen. De lijst van UNESCO is bedoeld om immaterieel erfgoed zichtbaarder te maken en het wederzijds respect tussen gemeenschappen te bevorderen; over de kwaliteit van een losse avond zegt zij niets. Dat onderscheid is nuttig als je een voorstelling zoekt in plaats van een toeristisch programma.

Peñas, tablaos en festivals

Er zijn drie soorten plekken waar flamenco wordt uitgevoerd, en het verschil daartussen bepaalt wat je te horen krijgt. De peñas flamencas zijn verenigingen met leden, vaak met een eigen zaaltje en een bar, die zelf hun programma samenstellen. UNESCO noemt ze in één adem met families en artiestendynastieën als de plaatsen waar de traditie wordt doorgegeven. Een peña programmeert in de eerste plaats voor de eigen leden, die de palos al kennen, en er wordt weinig uitgelegd. Of bezoekers van buiten welkom zijn, verschilt per vereniging; veel peñas laten ze toe, soms na aanmelding.

Tablaos zijn commerciële zalen die in de jaren zestig de plaats innamen van de cafés cantantes. Ze geven dagelijks voorstellingen van ongeveer een uur, met een vaste groep zangers, gitaristen en dansers die een reeks palos achter elkaar brengen. Je vindt ze vooral in Sevilla, Madrid, Córdoba en Granada, waar in de wijk Sacromonte de zambras in uitgehouwen grotwoningen spelen. Een tablaovoorstelling is gericht op bezoekers die de palos niet kennen, en dat stuurt de keuze van het programma.

Festivals laten het werk zien dat niet in een uur past. De Bienal de Flamenco in Sevilla bestaat sinds 1980 en vindt om het jaar in september plaats, met tientallen voorstellingen door de hele stad. Het Festival Internacional del Cante de las Minas in La Unión in Murcia is gewijd aan de mijnwerkerszang en reikt de Lámpara Minera uit aan de winnende zanger; de vijfenzestigste editie loopt van 29 juli tot 8 augustus 2026. Het Festival de Jerez richt zich op de dans en programmeert daarnaast cursussen.

Wat je op de Feria de Abril in Sevilla ziet, is iets anders. In de feesttenten dansen bezoekers sevillanas met elkaar, in jurken die buiten Spanje voor flamencokleding doorgaan. Dat is een volksdans en geen voorstelling, dus wie die week flamenco wil horen, is beter af in een peña of een tablao.

Een danseres in een klein tablao
Een danseres in een klein tablao.

Veelgestelde vragen

Wat is cante jondo?

Cante jondo, diepe zang, is de verzamelnaam voor de zwaarste en oudste palos: de seguiriya, de soleá, de tonás en de martinete. De teksten gaan over dood, gevangenschap, verlies en onrecht, en de zang vraagt veel van de stem. Manuel de Falla en Federico García Lorca gebruikten de term in 1922 in een engere betekenis, als de oorspronkelijke volkszang die zij tegenover het commerciële flamenco van hun eigen tijd zetten. Die tegenstelling wordt niet meer gevolgd. Cante jondo is nu een aanduiding voor een deel van het repertoire en niet voor een zuiverder soort flamenco.

Waarom heet een flamencozanger cantaor en geen cantante?

In het Andalusisch valt de d tussen twee klinkers vaak weg, zodat cantador tot cantaor werd, tocador tot tocaor en bailador tot bailaor. Die vormen zijn blijven staan en worden nu alleen nog voor flamenco gebruikt. Een cantante is in het Spaans iedere zanger; een cantaor zingt flamenco. Dezelfde uitspraakregel hoor je in alledaagse Andalusische woorden, bijvoorbeeld in pescaíto voor gefrituurde vis.

Mag je tijdens een optreden klappen of roepen?

Roepen hoort erbij. De aanmoedigingen van begeleiders en publiek heten jaleo, en een olé aan het eind van een goed gezongen frase is onderdeel van de voorstelling. Met klappen ligt het anders. De palmas zijn een vak op zich: ze volgen het compás van het palo, dat in veel stijlen op twaalf ongelijk verdeelde tellen loopt. Wie meeklapt zonder dat patroon te kennen, zit de musici in de weg. Applaus na een afgerond stuk is overal gebruikelijk; tijdens de zang wachten de meeste bezoekers tot de frase af is.

Wat is een saeta?

Een saeta is een korte flamencozang zonder begeleiding die tijdens Semana Santa vanaf een balkon of vanuit de menigte naar een passerend processiebeeld wordt gezongen. De stoet staat ervoor stil, de trommels zwijgen en de zanger brengt enkele regels over het lijden van Christus of het verdriet van Maria. De saeta staat in de overzichten bij de palos, maar heeft geen podium en geen gitaar; van alle palos is dit de stijl die het sterkst aan een kerkelijke plechtigheid gebonden is. UNESCO noemt religieuze feesten en kerkelijke plechtigheden dan ook als plaatsen waar flamenco klinkt.

Bronnen

Verder lezen

Verwante onderwerpen

Cultuur · Tradities

Stierenvechten

Hoe een corrida verloopt, hoeveel er in 2024 werden gehouden en wat de wet, de rechter en de peilingen zeggen.

Cultuur · Tradities

Semana Santa

De Goede Week met processies van broederschappen, van Palmzondag tot Paaszondag, in elke stad anders geregeld.

Cultuur · Tradities

La Tomatina

Het tomatengevecht van Buñol: een uur gooien op de laatste woensdag van augustus, met een ruzie in 1945 als begin.

Cultuur · Tradities

Spaanse tradities en feesten

Een overzicht van Spaanse feesten en gewoonten: wat landelijk is, wat bij één stad hoort en welke feesten met Pasen meeschuiven.