Op deze pagina
Vanaf wanneer bestaat Spanje als één staat?
Spanje heeft geen stichtingsjaar. Het land is gegroeid uit koninkrijken die eeuwenlang eigen wetten en eigen parlementen hadden, en die erfenis is nog te merken aan de manier waarop de Spaanse cultuur per gemeenschap verschilt. Het gebruikelijke beginpunt van de vereniging is het huwelijk van Isabella van Castilië en Ferdinand van Aragón in 1469. Toen Ferdinand in 1479 Aragón erfde en het verdrag van Alcáçovas in september van dat jaar de Castiliaanse opvolgingsstrijd beslechtte, stonden de twee grootste kroondomeinen van het schiereiland onder één echtpaar.
Een gemeenschappelijke staat was daarmee nog niet ontstaan. Castilië, Aragón, Catalonië en Valencia bleven staatsrechtelijk aparte eenheden, met eigen bestuursraden en eigen parlementen. Dat Castilië en Aragón zo van elkaar verschilden, had een lange voorgeschiedenis. Aragón en de Catalaanse graafschappen waren in 1137 verbonden geraakt door het huwelijk van Ramon Berenguer IV en Petronila, en ook binnen dat verband hield elk deel zijn eigen bestuur, zijn eigen wetboek en zijn eigen munt.
De eerste vorst die over beide kronen tegelijk regeerde was Karel V, die in 1516 als Carlos I de Spaanse troon erfde en in 1519 ook keizer werd. Eén wetgeving voor het hele land kwam bijna twee eeuwen later. Na de Spaanse Successieoorlog schafte Felipe V de plaatselijke fueros af, de eigen rechten van de gebieden, en hief hij de regionale parlementen op. Vanaf dat moment werd Spanje vanuit één centraal bestuur geregeerd, naar Castiliaans model.
De namen voor de perioden zijn bovendien meestal later bedacht. De Katholieke Koningen is een titel die Isabella en Ferdinand na de inname van Granada kregen, en het woord Reconquista werd pas in 1796 op de middeleeuwse veroveringen toegepast. Dat maakt de gebeurtenissen niet minder echt, maar het verklaart waarom dezelfde eeuw in het ene boek bij Castilië hoort en in het andere bij Spanje.
Karel V heet in Spanje Carlos I. Het eerste nummer hoort bij de Spaanse troon die hij in 1516 erfde, het tweede bij het keizerschap uit 1519. Zijn zoon Filips II is in Spanje Felipe II. Nederlandse boeken gebruiken beide reeksen door elkaar, dus een jaartal naast de naam voorkomt verwarring.
De hoofdlijn in negen perioden
De indeling hieronder volgt de breuken die in de geschiedschrijving het vaakst worden aangehouden: een verovering, een machtswisseling of een nieuwe grondwet. Scherpe grenzen zijn het niet. De Romeinse verovering duurde twee eeuwen, het moslimbestuur verdween gebied voor gebied, en de overgang naar democratie na 1975 nam jaren in beslag. De jaartallen geven aan wanneer de verandering doorzette.
| Periode | Jaartallen | Wat de periode markeert |
|---|---|---|
| Eerste bewoning | Vanaf ongeveer 1,3 miljoen jaar terug | Menselijke resten van vijf soorten in de Sierra de Atapuerca |
| Grotkunst van de late oude steentijd | Ongeveer 26.000 tot 16.800 jaar terug | Bewoning en wandschilderingen in grotten als Altamira |
| Iberiërs, Kelten, Feniciërs en Grieken | Derde millennium tot derde eeuw v.Chr. | Handelssteden aan de kust, volken in het binnenland |
| Romeins Hispania | 218 v.Chr. tot 409 n.Chr. | Latijn, Romeins recht en bestuur in provincies |
| Visigotisch koninkrijk | 409 tot 711 | Toledo hoofdstad vanaf 484, overgang naar het katholicisme in 589 |
| Al-Andalus en de christelijke koninkrijken | 711 tot 1492 | Moslimbestuur in het zuiden, koninkrijken in het noorden |
| De Katholieke Koningen en de Habsburgers | 1479 tot 1700 | Eén dynastie over Castilië en Aragón, en een rijk in Amerika en Azië |
| De Bourbons en de negentiende eeuw | 1700 tot 1931 | Eén centraal bestuur, oorlog tegen Napoleon, verlies van de koloniën |
| Republiek, burgeroorlog en dictatuur | 1931 tot 1975 | Tweede Republiek, oorlog van 1936 tot 1939, regime van Franco |
| Democratie | Vanaf 1975 | Grondwet van 1978, autonome gemeenschappen, lid van de EU in 1986 |
Bron: Spain: A Country Study, Federal Research Division, Library of Congress
De oudste bewoners en de kolonisten uit de Middellandse Zee
De oudste menselijke resten van het schiereiland komen uit de Sierra de Atapuerca, ongeveer vijftien kilometer oostelijk van Burgos. In de vindplaatsen daar zijn botten van vijf menselijke soorten gevonden, van een nog niet benoemde soort van ongeveer 1,3 miljoen jaar oud tot de moderne mens. De vondsten in de Sima de los Huesos, van meer dan 900.000 jaar, leidden tot de beschrijving van Homo antecessor als nieuwe soort. Unesco zette het gebied in 2000 op de werelderfgoedlijst.
Honderdduizenden jaren later werden in de grot van Altamira in Cantabrië de wanden beschilderd. De gedateerde bewoningslagen daar liggen tussen ongeveer 26.400 en 16.800 jaar terug, verdeeld over acht niveaus. De beschilderde dieren waar de grot bekend om is, horen bij de jongste van die lagen, waarin de schilders houtskool gebruikten.
In het derde millennium v.Chr. kwamen de Iberiërs naar het schiereiland, waarschijnlijk vanuit het oostelijke Middellandse Zeegebied, en zij vestigden zich onder meer langs de Ebro. De Kelten trokken in twee golven over de Pyreneeën, in de negende en de zevende eeuw v.Chr., en vermengden zich in het noordelijke binnenland met de Iberiërs tot de bevolking die klassieke auteurs Keltiberiërs noemen.
Aan de kust kwamen handelaren van buiten. Fenicische kooplieden uit Tyrus hadden mogelijk al rond 1100 v.Chr. een vestiging bij het huidige Cádiz, als westelijkste schakel in een reeks nederzettingen langs de zuidkust; klopt die datering, dan is Cádiz de oudste stad van West-Europa. Grieken uit Rhodos landden in de achtste eeuw v.Chr. en stichtten Ampurias aan de Catalaanse kust. Over de bevolking van het zuidwesten in diezelfde eeuwen, die vooral uit opgravingen bekend is, gaat de pagina over Tartessos.
Hispania: zes eeuwen Romeins bestuur en daarna de Visigoten
Romeinse legers kwamen in 218 v.Chr. naar het schiereiland, tijdens de Tweede Punische Oorlog tegen Carthago. De verovering duurde daarna nog twee eeuwen: pas in 19 v.Chr. kon keizer Augustus die afronden. Het gebied heette Hispania en werd eerst in drie afzonderlijk bestuurde provincies verdeeld, in de vierde eeuw in negen. Tegen het einde van de eerste eeuw na Christus hadden de bewoners het volledige Romeinse burgerrecht. Wat die eeuwen in het landschap achterlieten, van wegen en aquaducten tot stadsplattegronden, is te volgen bij Romeins Spanje.
De duidelijkste erfenis is de taal. Het Spaans, het Catalaans en het Galicisch zijn Romaanse talen en komen voort uit het Latijn dat in deze eeuwen op het schiereiland werd gesproken. Het Baskisch is de enige van de talen van Spanje die daar niet uit is ontstaan.
Vanaf 405 trokken Vandalen en Sueven het schiereiland binnen, en de Visigoten volgden als door Rome aangestelde bestuurders. Met ongeveer 300.000 mensen waren zij een kleine minderheid tussen vier miljoen inwoners. In 484 maakten zij Toledo tot hoofdstad van hun koninkrijk. Het grootste geschilpunt was de godsdienst: de Visigotische elite was ariaans, de Hispano-Romeinse bevolking katholiek. In 589 zwoer koning Reccared het arianisme af en nam hij het katholicisme aan, waarmee vorst en bevolking hetzelfde geloof kregen.
711 tot 1492: Al-Andalus en de koninkrijken in het noorden
In 711 staken Arabische en Berberse groepen vanuit Noord-Afrika over naar het schiereiland. Het gebied dat zij bestuurden kreeg de naam Al-Andalus, en dat was geen staat met vaste grenzen maar een gebied dat in fasen kleiner werd. Van 756 tot 929 was het een emiraat met Córdoba als hoofdstad. In 929 riep Abd ar-Rahman III zich tot kalief uit; dat kalifaat hield stand tot 1031. Daarna viel het uiteen in tientallen kleine koninkrijken, de taifa's, en volgden twee Noord-Afrikaanse dynastieën: de Almoraviden van 1091 tot 1147 en de Almohaden van 1147 tot 1212. Het laatste moslimbestuur was het Nasridische emiraat Granada, van 1232 tot 1492.
Wie er aan de macht was, is iets anders dan wie er woonde. De Moren is een Europese verzamelnaam voor de moslims van Noord-Afrika en het schiereiland, terwijl de meeste moslims in middeleeuws Spanje nakomelingen waren van plaatselijke bekeerlingen. Dat verschil bepaalde ook wat er gebeurde met de mensen die na een christelijke verovering bleven wonen.
In het noorden ontstonden in dezelfde eeuwen christelijke koninkrijken. Castilië was in 981 een zelfstandig graafschap en werd in 1004 tot koninkrijk verheven; Aragón en de Catalaanse graafschappen gingen in 1137 samen, en Valencia sloot zich in 1238 bij dat verband aan. De veroveringen die zij uitvoerden worden samen de Reconquista genoemd. Dat is een naam uit 1796 voor bijna achthonderd jaar waarin lang niet altijd werd gevochten en christelijke en islamitische vorsten ook onderling verdragen sloten.
1492: Granada, een edict en een eerste overtocht
Drie gebeurtenissen uit hetzelfde jaar hebben de Spaanse geschiedschrijving lang bepaald. De eerste is de overgave van Granada aan Isabella van Castilië en Ferdinand van Aragón, waarmee het moslimbestuur op het schiereiland eindigde. Het Alhambra werd daarna een koninklijk verblijf met een eigen bestuur, en de eerste grote herstelwerkzaamheden werden uitgevoerd door Moorse ambachtslieden die in de stad bleven.
De tweede is een edict van hetzelfde koningspaar dat de joden van Castilië en Aragón de keus liet tussen doop en vertrek; in 1498 volgde hetzelfde in Navarra. Het toezicht op bekeerlingen lag bij de Spaanse Inquisitie, een kerkelijke rechtbank onder koninklijk gezag die in 1478 bij pauselijke bul was toegestaan. In de wet van 2015 over de nationaliteit van Sefardische nakomelingen noemt de Spaanse wetgever die verdrijving uitdrukkelijk een onrecht.
De derde is de reis van Christoffel Columbus, die met Castiliaanse steun westwaarts voer en op 12 oktober 1492 land bereikte aan de andere kant van de Atlantische Oceaan. Hoe de drie gebeurtenissen met elkaar samenhangen en welke betekenis er later aan is gegeven, staat bij het jaar 1492.
Een rijk bestuurd vanuit Castilië, van 1516 tot 1700
Karel V erfde in 1516 Spanje, de Spaanse koloniën en Napels, en kreeg in 1519 na de dood van Maximiliaan I ook de Habsburgse gebieden in Duitsland en het keizerschap. In 1556 trad hij af en verdeelde hij die erfenis. Zijn zoon Filips II kreeg Spanje, de Italiaanse bezittingen en de Nederlanden, en bestuurde dat geheel vanuit El Escorial, het paleis en klooster op de vlakte bij Madrid. In 1580 erfde Filips via zijn moeder ook de Portugese troon, zodat het hele schiereiland zestig jaar lang één vorst had.
Het bestuur van het Spaanse koloniale rijk liep via de Raad van Indië en het handelshuis in Sevilla, waarvan de archieven nu in het Archivo General de Indias in diezelfde stad liggen. Het rijk kostte meer dan het opbracht. Zilver uit de Amerikaanse mijnen ging grotendeels direct door naar legers en schuldeisers, dreef de prijzen in Spanje op en maakte Spaanse producten op buitenlandse markten te duur. De grote vloot die in 1588 tegen Engeland uitvoer, de Spaanse Armada, werd verslagen, en de invasie die was voorbereid bleef daardoor uit.
In dezelfde eeuwen werkten de schrijvers en schilders van wie het werk later de Spaanse Gouden Eeuw is gaan heten. Veel van dat werk hangt nu in de musea van Madrid, samen met het latere werk dat bij kunst en architectuur in Spanje aan de orde komt.
1700 tot 1898: één centraal bestuur en het einde van het rijk
Toen in 1700 de laatste Spaanse Habsburger stierf, kwam de Bourbon Felipe V op de troon. De tegenclaim van aartshertog Karel van Oostenrijk leidde tot de Spaanse Successieoorlog van 1702 tot 1714, die in de Kroon van Aragón ook een binnenlandse oorlog was: Catalanen, Aragonezen en Mallorquijnen hadden de aartshertog als hun vorst uitgeroepen. Het Verdrag van Utrecht van 1713 erkende de Bourbonse opvolging, op voorwaarde dat Spanje en Frankrijk nooit onder dezelfde kroon zouden komen. Groot-Brittannië hield Gibraltar en Menorca, die het tijdens de oorlog had ingenomen.
Een eeuw later greep Napoleon in. In 1808 dwong hij Ferdinand VII tot aftreden en maakte hij zijn broer Jozef koning van Spanje. De oorlog die daarop volgde, van 1808 tot 1814, werd zonder vaste frontlijn gevoerd: guerrillagroepen hielden 250.000 van Napoleons beste troepen bezig, terwijl een Brits leger onder Wellington het offensief voorbereidde. Afgevaardigden uit het hele rijk kwamen in het onbezette Cádiz bijeen en namen daar in 1812 een grondwet aan die de koning via zijn ministers aan het parlement bond. Ferdinand VII weigerde die bij zijn terugkeer in 1814 te erkennen.
Het rijk viel in die jaren uiteen. De Amerikaanse koloniën riepen tijdens en na de oorlog hun onafhankelijkheid uit, en in 1825 waren alleen Cuba en Puerto Rico nog Spaans. Na een korte oorlog met de Verenigde Staten stond Spanje in 1898 bij het Verdrag van Parijs ook Cuba, Puerto Rico en de Filipijnen af. De schrijvers die zich daarna afvroegen waarom het land zijn positie in Europa had verloren, worden de generatie van 1898 genoemd; over dat jaar en zijn gevolgen gaat het jaar 1898.
1931 tot 1978: republiek, burgeroorlog, dictatuur en grondwet
In april 1931 verloren de monarchistische partijen de gemeenteraadsverkiezingen en verliet koning Alfons XIII het land. De Tweede Republiek die daarop werd uitgeroepen, wilde het leger hervormen, de regio's autonomie geven, kerk en staat scheiden en grond herverdelen; Catalonië kreeg in 1932 een eigen autonomiestatuut. De verkiezingen van 1933 en van februari 1936 leverden achtereenvolgens een rechtse en een linkse meerderheid op, en de politieke tegenstellingen werden in die jaren steeds harder.
Op 17 en 18 juli 1936 kwam een deel van het leger in opstand tegen de regering. De staatsgreep slaagde in ongeveer de helft van het land en mislukte in de andere helft, zodat er geen machtswisseling kwam maar een frontlijn. Zo begon de Spaanse Burgeroorlog, die op 1 april 1939 eindigde. Het bombardement op de Baskische stad Gernika in april 1937 werd het bekendste beeld van die oorlog, vooral door het schilderij Guernica dat Picasso erover maakte.
Francisco Franco bestuurde Spanje daarna tot zijn dood op 20 november 1975. Twee dagen later werd Juan Carlos koning en kwam het Spaanse koningshuis na ruim veertig jaar terug. De wet voor politieke hervorming van 4 januari 1977 stelde een parlement van twee kamers in op basis van algemeen kiesrecht, en in juni 1977 werd voor het eerst sinds de jaren dertig vrij gekozen.
Op 6 december 1978 stemden de Spanjaarden in een referendum over een nieuwe grondwet. De koning bekrachtigde die op 27 december en op 29 december 1978 trad zij in werking. Artikel 1 bepaalt dat de politieke vorm van de Spaanse staat de parlementaire monarchie is. Hoe de overgang verliep, van de benoeming van Adolfo Suárez in juli 1976 tot die eerste vrije verkiezingen, is na te lezen bij de Spaanse transitie; wat er in de grondwettekst zelf is vastgelegd, bij de grondwet van 1978.
Waarom deze geschiedenis in Spanje nog onderwerp van debat is
Artikel 2 van de grondwet legt twee dingen tegelijk vast: de ondeelbare eenheid van de Spaanse natie, en het recht op autonomie van de nationaliteiten en regio's waaruit zij bestaat. Tussen december 1979 en februari 1983 kregen op grond daarvan zeventien autonome gemeenschappen hun statuut; Ceuta en Melilla volgden in 1995. Een deel van de Catalaanse politiek wil verder gaan dan autonomie, en hoe dat conflict is verlopen, staat bij de Catalaanse onafhankelijkheidsbeweging.
Ook de jaren 1936 tot 1978 zijn juridisch nog niet afgesloten. De wet op het democratisch geheugen van 19 oktober 2022 bestrijkt de periode van de staatsgreep van 18 juli 1936 tot de inwerkingtreding van de grondwet, verklaart het regime dat daaruit voortkwam onrechtmatig en regelt erkenning en herstel voor wie om politieke, ideologische of religieuze redenen werd vervolgd. De discussie gaat ook over gebouwen. Het Valle de Cuelgamuros bij Madrid, het monument dat Franco in negentien jaar liet bouwen en in 1959 opende, bevat crypten waarin meer dan 33.000 gesneuvelden uit de burgeroorlog zijn bijgezet; de Spaanse overheid omschrijft het nu als de meest omstreden plek van het franquistische geheugen.
Een deel van de Spaanse feesten en tradities verwijst rechtstreeks naar de middeleeuwse veroveringen. Bij de moros y cristianos van Alcoy, rond 23 april, trekken groepen deelnemers in twee partijen door de stad en spelen zij de strijd tussen moslims en christenen na; de deelname van de stadsmilitie staat daar sinds 1511 in de gemeentelijke stukken.
Per periode één plaats waar materiaal bewaard is
Een deel van deze perioden is op een beperkt aantal plaatsen in Spanje direct te volgen, omdat daar vindplaatsen, gebouwen of archieven bewaard zijn gebleven. De tabel noemt per periode één locatie met wat er te zien of te onderzoeken is.
| Periode | Plaats | Wat er bewaard is |
|---|---|---|
| Eerste bewoning | Sierra de Atapuerca, bij Burgos | Vindplaatsen met resten van vijf menselijke soorten, sinds 2000 werelderfgoed |
| Late oude steentijd | Altamira, Cantabrië | Acht bewoningslagen en wandschilderingen, gedateerd tussen ongeveer 26.400 en 16.800 jaar terug |
| Visigotisch koninkrijk | Toledo | Hoofdstad van het koninkrijk vanaf 484 en zetel van de kerkvergaderingen |
| Al-Andalus | Granada | Het Alhambra, de burcht en de paleizen van de Nasridische sultans |
| Habsburgse rijk | El Escorial, bij Madrid | Paleis en klooster van waaruit Filips II zijn gebieden bestuurde |
| Koloniaal bestuur | Sevilla | Het Archivo General de Indias, met de stukken van de Raad van Indië en het handelshuis |
| Negentiende eeuw | Cádiz | De stad waar de Cortes in 1810 bijeenkwamen en in 1812 de grondwet aannamen |
| Burgeroorlog en dictatuur | Valle de Cuelgamuros, bij Madrid | Monument uit 1959 met crypten waarin meer dan 33.000 gesneuvelden zijn bijgezet |
| Democratie | Madrid | Het Congreso de los Diputados, het parlement dat in 1978 de grondwet aannam |