Naar de inhoud
Cultuur · Kunst

Salvador Dalí

Salvador Dalí (1904 tot 1989) was een Catalaanse schilder die het surrealisme zijn bekendste beelden gaf: slappe klokken, lange schaduwen en voorstellingen die je op twee manieren kunt lezen. Hij woonde het grootste deel van zijn leven in Portlligat bij Cadaqués en liet in Figueres zijn eigen museum achter. Zijn beroemdste schilderijen hangen daar niet: die zijn in New York, Madrid en Glasgow te zien.

Gepubliceerd op 5 oktober 2026Leestijd ongeveer 12 minuten
Salvador Dalí in 1939. Historisch portret.
Foto: Van Vechten, Carl, 1880-1964., Publiek domein, via Wikimedia Commons.
Op deze pagina
Geboren
11 mei 1904, Figueres
Overleden
23 januari 1989, Figueres
Stroming
Surrealisme, later nucleair mysticisme
Opleiding
Academie van San Fernando, Madrid, 1922 tot 1926
Partner
Gala, geboren Elena Diakonova
Woonhuis
Portlligat bij Cadaqués, vanaf 1930
Eigen museum
Teatre-Museu Dalí, Figueres, geopend in 1974

Van Figueres en Cadaqués naar de surrealisten in Parijs

Salvador Dalí i Domènech werd op 11 mei 1904 geboren in Figueres, in de Catalaanse provincie Girona, en stierf daar op 23 januari 1989. Hij is een van de bekendste namen uit de Spaanse kunst en cultuur: de schilder die in de jaren dertig het gezicht van het surrealisme werd en die volgens het Philadelphia Museum of Art even beroemd was om zijn excentrieke verschijning als om zijn werk.

Zijn vader was notaris in Figueres, een functie die in de stad gezag gaf. De zomers bracht het gezin door in het vissersdorp Cadaqués, waar de familievriend Ramon Pichot hem leerde schilderen; Pichot werkte impressionistisch, woonde in Parijs en kende de avant-garde daar. Kort voor Dalí's geboorte was een ouder broertje gestorven dat ook Salvador heette, en de jongen kreeg diens naam. Op dat gestorven broertje kwam hij veel later in zijn werk terug, onder meer in Portret van mijn dode broer uit 1963.

In september 1922 begon hij aan de Real Academia de Bellas Artes de San Fernando in Madrid. Het lesprogramma daagde hem weinig uit en hij experimenteerde op eigen initiatief met kubisme, futurisme en purisme, stijlen die hij uit buitenlandse kunsttijdschriften kende. Belangrijker waren de vrienden die hij er maakte: de dichter Federico García Lorca en de filmmaker Luis Buñuel. Omdat Dalí zijn docenten openlijk bekritiseerde en medestudenten tot verzet aanzette, werd hij in 1923 een jaar geschorst en in 1926 definitief weggestuurd. In datzelfde jaar reisde hij voor het eerst naar Parijs, waar hij Pablo Picasso ontmoette.

De doorbraak kwam in 1929. Met Buñuel maakte hij de korte film Un chien andalou, en via zijn Catalaanse collega Joan Miró kwam hij in contact met de surrealisten in Parijs. In hetzelfde jaar ontmoette hij Gala, toen de vrouw van de surrealistische dichter Paul Éluard. Vanaf 1930 woonden ze samen, en zij bleef tot haar dood zijn partner en regelde de zakelijke kant van zijn loopbaan. Zijn vader brak met hem over die relatie.

De paranoïsch-kritische methode achter de dubbele beelden

De paranoïsch-kritische methode is Dalí's manier om een voorstelling twee dingen tegelijk te laten zijn. Hij zette de werkwijze in 1930 uiteen in zijn bundel La femme visible: kijk zo lang naar een vorm tot je er een tweede beeld in ziet, en schilder dat tweede beeld mee. Het woord paranoïsch verwijst naar het zien van verbanden die er feitelijk niet zijn. Dalí gebruikte dat vermogen opzettelijk en noemde het resultaat een dubbel beeld.

Hoe dat werkt, is te volgen in Het angelus van Gala uit 1935, nu in het Museum of Modern Art in New York. Gala staat er tweemaal op, alsof ze naar haar spiegelbeeld kijkt, met achter haar hoofd een reproductie van L'Angélus van de Franse schilder Jean-François Millet, een schilderij van twee biddende boeren bij een kruiwagen. Dat werk van Millet hing in het klaslokaal van Dalí's basisschool en hij vond het altijd verontrustend: in de biddende vrouw zag hij een bidsprinkhaan die haar partner opeet, en in het mandje aardappels vermoedde hij een kinderdoodskist. Millets voorstelling komt in meerdere schilderijen uit de jaren dertig terug, de jaren waarin Dalí zijn methode ontwikkelde.

Een tweede voorbeeld raakt aan de politiek. In Zachte constructie met gekookte bonen: voorgevoel van de burgeroorlog uit 1936 verwringt een reusachtig wezen zijn eigen ledematen, en die ledematen vormen samen de omtrek van de kaart van Spanje. Het Philadelphia Museum of Art, dat het schilderij bezit, schrijft dat Dalí het bijna een half jaar voor de staatsgreep van juli 1936 afrondde en de titel vermoedelijk pas daarna aanpaste.

De surrealisten riepen Sigmund Freud uit tot hun geestelijke vader, en Dalí las hem in de Spaanse vertalingen die in de jaren twintig verschenen; in 1938 bezocht hij hem in Londen. Hoe letterlijk hij Freuds theorie in beeld bracht, laat een doek in het Museo Thyssen-Bornemisza in Madrid zien. In Eén seconde voor het ontwaken uit een droom veroorzaakt door de vlucht van een bij rond een granaatappel uit 1947 zweeft Gala boven een rots, terwijl uit een granaatappel een vis barst waaruit tijgers en een bajonet komen. Dalí wilde de prikkel schilderen die een droom in gang zet. Hij vergeleek het met een voorwerp dat op de nek van een slaper valt en daar een lange droom veroorzaakt: hier is het de bij, en haar gezoem wordt in de droom het gevoel van een steek waarvan Gala wakker schrikt.

Waarom de surrealisten hem in 1939 uit de groep zetten

Dalí was ongeveer tien jaar lid van de surrealistische groep, en in de jaren dertig liep de verhouding met groepsleider André Breton steeds stroever. Hij deelde de belangstelling voor Freud en voor het onbewuste, maar niet de communistische politiek van de groep; hij hield zich liever buiten de politiek. Zijn zelfpromotie en zijn commerciële succes vielen slecht bij Breton, die hem de spotnaam Avida Dollars gaf, een anagram van zijn naam. In 1934 probeerde Breton hem al uit de groep te zetten; in 1939 werd de breuk definitief. Daarna sloot Dalí zich bij geen enkele beweging meer aan.

Het verschil met zijn Spaanse tijdgenoten is in die jaren goed te zien. Picasso en Miró kozen in de Spaanse Burgeroorlog openlijk partij voor de Republiek en zetten hun werk daarbij in. Dalí niet, ook niet toen zijn vriend Lorca door een fascistisch vuurpeloton werd doodgeschoten en zijn zus Ana María, volgens het Philadelphia Museum of Art, door communistische soldaten aan republikeinse zijde werd opgepakt en gemarteld. Het schilderij over de burgeroorlog uit 1936 blijft volgens dat museum een van de weinige werken waarin hij een actuele kwestie aanraakt.

Acht jaar in de Verenigde Staten

Toen Duitsland in juni 1940 Frankrijk innam, vertrokken Dalí en Gala via Spanje naar de Verenigde Staten, waar ze tot 1948 bleven. Hij was er al bekend: Amerikaanse musea en verzamelaars kochten zijn werk, en het Museum of Modern Art wijdde in 1941 een overzichtstentoonstelling aan hem en Miró. In datzelfde jaar schreef hij The Secret Life of Salvador Dalí, een autobiografie waarin feiten en verzinsels door elkaar lopen. In 1948 keerde het paar terug naar Portlligat.

De kust bij Cadaqués in werk van 1925 tot 1951

Het landschap in Dalí's schilderijen is een bestaande plek. Vanaf 1930 woonde hij in Portlligat, een baai met een handvol vissershuizen even buiten Cadaqués, aan de noordelijke Costa Brava. Hij kocht daar een vissershut en bouwde die veertig jaar lang uit, kamer na kamer; in de beschrijving van zijn stichting, de Fundació Gala-Salvador Dalí, noemde hij het huis een echte biologische structuur waarin elke nieuwe impuls in hun leven een eigen cel kreeg. Afgezien van de oorlogsjaren in Amerika woonde hij er tot Gala in 1982 stierf; het was zijn enige vaste woonadres.

De omgeving komt terug in zijn werk, van de vroege portretten tot de religieuze doeken. In Figura en una finestra uit 1925, nu in het Museo Reina Sofía in Madrid, kijkt zijn zus Ana María met haar rug naar de beschouwer door een open raam over de baai van Cadaqués. Zij vertelde later dat ze tijdens het poseren het landschap in zich opnam dat voorgoed bij haar hoorde, en dat haar broer haar steeds bij een raam schilderde.

In de latere werken draagt de plek de betekenis van het schilderij mee. Madonna van Portlligat uit 1949 zet Gala als madonna op een troon boven het water van de baai, naar het voorbeeld van een altaarstuk van Piero della Francesca van omstreeks 1475. In Christus van Johannes van het Kruis uit 1951 hangt het kruis boven datzelfde water. Bij de tentoonstelling van dat schilderij in Figueres schreef de stichting dat het zonder het landschap van Portlligat zijn volle betekenis mist. Ook het zeegezicht in het werk uit 1947 in Madrid is volgens het Thyssen vermoedelijk Portlligat.

Atoomfysica en katholieke voorstellingen na 1945

Na de atoombommen op Hiroshima en Nagasaki in 1945 veranderde wat hij schilderde. Dalí raakte gefascineerd door kernfysica en noemde zijn nieuwe richting nucleair mysticisme: in de bouw van de materie zag hij een aanwijzing voor een goddelijke orde, en in het geloof een verklaring voor de natuurkunde. Tegelijk keerde hij terug naar de klassieke traditie, naar de verhoudingen en de techniek van de Italiaanse renaissance. Leda Atomica uit 1948 hoort bij die periode, net als de Madonna van Portlligat, waarvan hij in 1949 een kleinere versie aan paus Pius XII toonde, die het werk zegende.

Zijn stichting noemt Vermeer, Rafaël, Leonardo, Diego Velázquez en Picasso als de schilders die het sterkst in zijn werk doorklinken. Dat hij zich op de oude meesters richtte, betekende niet dat hij zijn surrealistische beelden liet vallen. In 1952 begon hij aan Het uiteenvallen van de volharding van de herinnering, waarin de slappe klokken van 1931 terugkomen in een landschap dat in losse deeltjes uiteenvalt. Het Philadelphia Museum of Art beschrijft dat latere werk als de atomaire tegenhanger van het eerste: dezelfde voorstelling, nu uiteengelegd in deeltjes die energie opnemen en afstaan.

Ook in zijn privéleven werd het geloof zichtbaar. In 1958 trouwden hij en Gala kerkelijk, vierentwintig jaar na hun huwelijk voor de wet in Parijs. In zijn laatste decennia schilderde hij steeds minder; zijn laatste doek, De zwaluwstaart, dateert uit 1983.

Film, mode en boekillustraties naast het schilderen

Dalí werkte ook buiten het doek. Met Luis Buñuel maakte hij in 1929 Un chien andalou, een korte film met onverklaarde geweldsbeelden, en in 1930 L'Âge d'or. Voor Alfred Hitchcock ontwierp hij in 1945 het decor van de droomscène in Spellbound, en in 1946 werkte hij met Walt Disney aan de korte animatiefilm Destino. Volgens de Fundació was hij een van de eerste kunstenaars die de mogelijkheden van film als kunstvorm en massamedium zag; onder zijn filmcontacten noemt de stichting ook de Marx Brothers.

In de mode werkte hij samen met Elsa Schiaparelli. De schoenhoed uit 1938, die Gala op foto's draagt, kwam uit een ontwerp van Dalí. Hij ontwierp verder stoffen, accessoires en verpakkingen voor consumentenproducten, en werkte mee aan bladen als Vogue en Harper's Bazaar.

Boekillustraties vormen een derde spoor. In de jaren veertig illustreerde hij een Amerikaanse uitgave van Don Quichot, en in 1957 de Franse bundel Pages Choisies de Don Quichotte de la Manche. De Italiaanse regering vroeg hem begin jaren vijftig om prenten bij Dantes Divina Commedia, die in 1959 verschenen. In 1969 kwamen daar een uitgave van Alice in Wonderland en honderd illustraties voor de Biblia Sacra bij.

Figueres heeft de grootste collectie, New York het bekendste schilderij

Het Teatre-Museu Dalí in Figueres toont meer dan 1.500 werken in alle soorten en formaten: schilderijen, tekeningen, beelden, prenten, sieraden, hologrammen en installaties. De stichting beheert in totaal ruim 4.000 werken. In Figueres hangen onder meer een zelfportret met een hals in de stijl van Rafaël uit omstreeks 1921, Het spook van de sexappeal uit 1934, Galarina en De broodkorf uit 1945 en Gala Placidia uit 1952. Er is ook een zaal met werk van kunstenaars die Dalí bewonderde, onder wie El Greco en Marcel Duchamp. Het museum zit in het oude gemeentelijk theater van de stad, waar in 1919 al werk van Dalí hing bij een tentoonstelling van plaatselijke kunstenaars; hij opende het gebouw als museum op 28 september 1974.

Zijn bekendste schilderij hangt er niet. La persistencia de la memoria, in het Nederlands De volharding van de herinnering, is sinds 1934 eigendom van het Museum of Modern Art in New York. Het doek met de slappe klokken meet volgens de werkcatalogus van de stichting 24,1 bij 33 centimeter, iets groter dan een A4-blad.

Christus van Johannes van het Kruis werd in 1952 voor Glasgow gekocht door T.J. Honeyman, toen directeur van de stedelijke musea, en hangt in Kelvingrove Art Gallery and Museum. Tussen 25 oktober 2023 en 30 april 2024 was het in Figueres te zien, voor het eerst in Spanje sinds 1952. In Madrid heeft zowel het Museo Reina Sofía als het Museo Thyssen-Bornemisza werk van Dalí in de vaste collectie. In zijn testament liet hij zijn bezittingen en de werken die hij niet eerder had weggegeven na aan de Spaanse staat.

Eén schilderij, meerdere titels

Dalí gaf zijn werk titels in het Spaans, het Catalaans, het Frans en het Engels, en musea gebruiken daarnaast hun eigen vertaling. Hetzelfde doek uit 1925 heet bij het Museo Reina Sofía Figura en una finestra en in Engelse publicaties Figure at a Window. Zoek je een werk op, gebruik dan ook het jaartal en de naam van het museum.

Zeven bekende werken van Dalí en de musea die ze bezitten
Werk Jaar Museum
Figura en una finestra 1925 Museo Reina Sofía, Madrid
De volharding van de herinnering 1931 Museum of Modern Art, New York
Het angelus van Gala 1935 Museum of Modern Art, New York
Zachte constructie met gekookte bonen 1936 Philadelphia Museum of Art
Eén seconde voor het ontwaken uit een droom 1947 Museo Thyssen-Bornemisza, Madrid
Christus van Johannes van het Kruis 1951 Kelvingrove Art Gallery, Glasgow
Het uiteenvallen van de volharding van de herinnering 1952 tot 1954 The Dalí Museum, St. Petersburg, Florida

Bron: Werkcatalogus van de schilderijen, met per werk de eigenaar

De drie Dalí-musea liggen veertig kilometer uit elkaar

De stichting beheert drie bezoekadressen in de streek Empordà, samen de Dalí-driehoek of Triangle Dalinià genoemd: het Teatre-Museu in Figueres, het woonhuis in Portlligat bij Cadaqués en het kasteel van Gala in Púbol. Elk adres heeft zijn eigen kaartje en zijn eigen openingsregeling. De afstand tussen de adressen is telkens ongeveer 40 kilometer, en volgens de stichting heb je er minstens twee dagen voor nodig.

De bezoekduur verschilt per adres. Voor Figueres rekent de stichting anderhalf tot twee uur, voor Púbol ongeveer vijfenzeventig minuten en voor Portlligat ongeveer een uur, waarvan het eerste halfuur met een gids. Het huis in Portlligat moet je vooraf boeken: de groepen zijn klein en gaan elke tien minuten naar binnen, en je moet je kaartje een halfuur voor je tijdslot ophalen. Door de opbouw van het huis is het niet geschikt voor rolstoelgebruikers. In Figueres zijn de binnenhof, het podium met de koepel, de begane grond en de sieradenzaal toegankelijk, en in Púbol het grootste deel van het kasteel, met de crypte, de badkamer van Gala en de zaal voor wisselende tentoonstellingen als uitzondering.

Prijzen en openingstijden wisselen per seizoen, dus controleer ze vlak voor je bezoek. Begin oktober 2026 begon de toegang in Figueres bij 18,50 euro, met een kortingstarief vanaf 15,00 euro, en lag de prijs in Portlligat tussen 15,50 en 20,50 euro. Op 6 januari, Driekoningen, is de toegang gratis; aan de gratis eerste zondag van de maand doen de musea niet mee. Er is ook een gecombineerd kaartje met La Pedrera, het woongebouw van Antoni Gaudí in Barcelona.

Veelgestelde vragen

Wie was Gala?

Gala werd geboren als Elena Diakonova en groeide op in Rusland. Toen Dalí haar in 1929 leerde kennen, was ze getrouwd met de surrealistische dichter Paul Éluard. Vanaf 1930 woonden zij en Dalí samen; in 1934 trouwden ze voor de wet in Parijs en in 1958 kerkelijk in Spanje. Zijn stichting beschrijft haar niet als muze alleen, maar als de rechterhand die zijn loopbaan ordende en bestuurde. Ze stierf op 10 juni 1982, en Dalí liet haar begraven in de voormalige tiendkamer van het kasteel van Púbol.

Ligt Dalí begraven in zijn eigen museum?

Ja, zijn graf is de crypte van het Teatre-Museu in Figueres. Na een brand in het kasteel van Púbol in 1984 verhuisde hij naar de Torre Galatea, een aanbouw naast het museum, en daar woonde hij tot hij op 23 januari 1989 aan hartfalen stierf. Gala ligt niet bij hem, maar in Púbol, ongeveer 40 kilometer zuidelijker.

Hoe kom je bij de drie musea zonder auto?

Figueres is het makkelijkst: de stad is te bereiken met regionale treinen, met de hogesnelheidstrein en met touringcars. Het huis in Portlligat is met openbaar vervoer te doen, maar de stichting waarschuwt dat het planning vraagt en een hele dag kan kosten. Het kasteel van Púbol heeft geen openbaar vervoer; het dichtstbijzijnde station is Flaçà, ongeveer vijf kilometer verderop, en van daar neem je een taxi.

Mag je in de Dalí-musea fotograferen?

Fotograferen zonder flits mag. Statieven, selfiesticks en professionele apparatuur zijn niet toegestaan. Voor bagage is er een garderobe, maar stukken groter dan 35 bij 35 bij 25 centimeter worden niet aangenomen, en waardevolle spullen neemt de garderobe ook niet in bewaring. Kom dus zonder grote koffer of rugzak.

Bronnen

Verder lezen

Verwante onderwerpen

Cultuur · Kunst

Antoni Gaudí

De Catalaanse architect achter de Sagrada Família: zijn bouwmethode, zijn zeven werelderfgoedwerken en wat er nog niet af is.

Cultuur · Kunst

Pablo Picasso

De Spaanse jaren van Picasso, de ontwikkeling van zijn werk en waar het in Spanje te zien is.

Cultuur · Kunst

Diego Velázquez

De hofschilder van Filips IV: zijn loopbaan van Sevilla tot Madrid, Las Meninas, de overgave van Breda en waar zijn werk hangt.

Cultuur · Kunst

Kunst en cultuur in Spanje

Een koninklijk besluit uit 1995 verdeelde de Spaanse staatscollectie op het geboortejaar van Picasso.