Naar de inhoud
Cultuur · Taal

Spaanse woorden en zinnen voor onderweg

Met een kleine set Spaanse woorden en zinnen kom je een reisdag door: een groet, por favor, gracias, perdone, een bestelling als un café, por favor en ¿puedes repetir? als je iets niet verstaat. Het leerplan van het Instituto Cervantes laat beginners met zulke vaste formules beginnen. Twee dingen verschillen per regio: coger is in Spanje een gewoon werkwoord voor nemen, maar in bijna alle Amerikaanse landen een taboewoord, en vosotros is niet overal in gebruik.

Gepubliceerd op 5 oktober 2026Leestijd ongeveer 9 minuten
Lange bar met bordjes olijven en aardappelomelet, en hele hammen aan een ijzeren rek.
Op deze pagina
Onderdeel van
Spaanse taal
Bestelling in het leerplan
un café, por favor
Om herhaling vragen
¿puedes repetir? of más despacio, por favor
Vervoer nemen
coger of tomar, in Amerika meestal tomar
Schrijfwijze
¿ ? en ¡ ! openen én sluiten
Alarmnummer
112

De formules waarmee beginners volgens het Instituto Cervantes beginnen

Het leerplan van het Instituto Cervantes, de Spaanse overheidsinstelling voor het onderwijs van het Spaans, geeft voor de twee laagste niveaus (A1 en A2) bij elke handeling een korte, vaste zin. Een koffie bestel je met un café, por favor, om hulp vraag je met ¿puedes ayudarme? en een aanbod sla je af met no, gracias.

Hieronder staan die formules per situatie, aangevuld met woordenschat uit hetzelfde leerplan. Over de talen zelf, met naast het Spaans ook Catalaans, Baskisch en Galicisch, lees je meer bij de Spaanse taal en de andere talen van Spanje. In de tabel staan de groeten kort; welke bij welk moment van de dag past, staat bij begroetingen in het Spaans.

De zinnen in de tabel staan in het leerplan in de je-vorm, met tú. Voor sociaal respect of afstand gebruikt het Spaans usted, en dan verandert de werkwoordsvorm: tegen iemand die je met usted aanspreekt zeg je ¿puede repetir? in plaats van ¿puedes repetir?.

Formules uit het leerplan voor beginners, per situatie
Situatie Spaans Nederlands
Groeten <em lang="es">Hola</em>, <em lang="es">buenos días</em>, <em lang="es">buenas tardes</em>, <em lang="es">buenas noches</em> Hallo, goedemorgen, goedemiddag, goedenavond
Iets bestellen <em lang="es">Un café, por favor</em> Een koffie, alstublieft
Om iets vragen <em lang="es">¿Puedes darme otra servilleta?</em> Kun je me nog een servet geven?
Om hulp vragen <em lang="es">¿Puedes ayudarme?</em> of <em lang="es">¿Me ayudas?</em> Kun je me helpen?
Toestemming vragen <em lang="es">¿Se puede?</em> of <em lang="es">¿Puedo abrir la ventana?</em> Mag dat? Mag ik het raam openen?
Herhaling vragen <em lang="es">¿Puedes repetir?</em> Kun je dat herhalen?
Langzamer vragen <em lang="es">Más despacio, por favor</em> Langzamer, alstublieft
Bedanken <em lang="es">(Muchas) gracias</em> (Hartelijk) dank
Excuses maken <em lang="es">Perdón</em>, <em lang="es">lo siento mucho</em> Pardon, het spijt me zeer
Een aanbod aannemen <em lang="es">Sí, gracias</em>, <em lang="es">vale</em>, <em lang="es">de acuerdo</em> Ja, graag; oké; akkoord
Een aanbod afslaan <em lang="es">No, (muchas) gracias</em> Nee, dank je
Naar de tijd vragen <em lang="es">¿Qué hora es?</em> Hoe laat is het?
Afscheid nemen <em lang="es">¡Adiós!</em>, <em lang="es">hasta luego</em>, <em lang="es">hasta mañana</em> Dag, tot straks, tot morgen
Iets wensen <em lang="es">¡Que aproveche!</em>, <em lang="es">buen viaje</em> Eet smakelijk, goede reis

Bron: Plan curricular del Instituto Cervantes, inventario de funciones A1-A2

Bestellen in een bar of restaurant

Een bestelling bestaat uit het gevraagde met por favor erachter: un café, por favor. Je hoeft er geen zin omheen te bouwen. Verzachte vormen horen bij een hoger niveau: het leerplan plaatst quería un jersey rojo, ¿podría hablar contigo? en quisiera ver ese abrigo op B1 en B2, als manieren om een verzoek minder direct te maken.

Het leerplan geeft deze woorden voor het restaurant: el camarero (de kelner), la mesa, la carta en el menú, el primer plato, el segundo plato en el postre, en la cuenta. Een tafel reserveer je met reservar una mesa en om de kaart vraag je met pedir la carta.

Bij drank staan er agua con gas en agua sin gas, café solo (zonder melk), café con leche en café cortado (met een scheutje melk), cerveza, vino blanco en vino tinto, en zumo de naranja (sinaasappelsap). Voor flessen en blikjes zijn er una botella en una lata. Een toost spreek je uit met ¡salud!, dat bij proost in het Spaans een eigen uitleg heeft.

Het leerplan rekent ook enkele gewoonten tot wat een beginner moet kennen: de uren van de hoofdmaaltijden, de begrippen tapa en merienda, de wens ¡que aproveche! aan tafel, de manier waarop je een kelner aanspreekt en bestelt, en het gratis geven van een pincho of tapa bij een consumptie, in het leerplan een obsequio, een geschenk. Betalen doe je en efectivo of con tarjeta, en een fooi laat je achter met dejar una propina. Wat je terugzegt als iemand je bedankt, staat bij dankjewel in het Spaans.

Aandacht vragen, excuses maken en jezelf voorstellen

Om iemand aan te spreken zijn er twee paar gebiedende vormen die een gesprek openen: oye en oiga, mira en mire, letterlijk luister en kijk. Het eerste van elk paar is de tú-vorm en het tweede de usted-vorm. Het leerplan noemt zulke woorden controladores del contacto, woorden waarmee een spreker het contact met de ander opent en bewaakt.

In dezelfde groep staan perdona en perdone, van het werkwoord perdonar, vergeven. Het leerplan noemt ze gebiedende vormen die vaste uitdrukkingen zijn geworden, met een contactfunctie en een beleefde waarde. Wie perdone zegt tegen een voorbijganger, vraagt daarmee geen vergeving maar opent een vraag. Voor het excuus zelf geeft het leerplan perdón en lo siento mucho.

Jezelf stel je voor met soy of me llamo en je naam, zoals soy Pedro of me llamo Julio López Arganda. Het tweede voorbeeld uit het leerplan heeft twee achternamen. Hoe een Spaanse naam daardoor is opgebouwd, staat bij Spaanse achternamen, en welke voornamen gebruikelijk zijn bij Spaanse namen.

De werkwoorden achter de formules: poder, querer, tener en gustar

Het Spaans gebruikt poder voor wat het Nederlands verdeelt over kunnen en mogen. ¿Puedes repetir? is kun je dat herhalen, ¿puedo abrir la ventana? is mag ik het raam openen, en beide zijn poder met een infinitief erachter. De verzoeken om hulp, herhaling en toestemming in het leerplan zijn op dezelfde manier gebouwd, en ¿se puede? is de korte vorm waarmee je vraagt of je mag binnenkomen of iets mag doen.

Querer met een infinitief drukt een wens uit: quiero ir a España. Met een zelfstandig naamwoord is het een aanbod: ¿quieres una copa?, wil je een drankje. Tener is breder inzetbaar dan hebben in het Nederlands. Tener que met een infinitief betekent moeten, en met tener zeg je ook wat je mankeert: tengo fiebre. Ook je leeftijd geef je met tener aan: de vraag ¿cuántos años tienes? is letterlijk hoeveel jaar heb je.

Bij gustar loopt de zin andersom dan in het Nederlands. Me gusta el cine betekent letterlijk dat de bioscoop mij bevalt, en daarom staat het werkwoord in het meervoud als het gaat om meer dan één ding: me gustan los coches. Het leerplan beschrijft dit als een constructie waarin degene die iets waardeert geen onderwerp van de zin is. Voor een voorkeur zeg je me gusta met een zelfstandig naamwoord of een infinitief: a mí me gusta mucho viajar.

Vragen waar iets is en wat het kost

Een vraag naar een plaats begint met ¿dónde...? en het antwoord met está: ¿dónde está la estación?, está aquí. Wil je weten of iets bestaat, dan gebruik je hay: ¿hay una farmacia por aquí?, hay tres personas. Het leerplan houdt die twee al op A1 en A2 uit elkaar en markeert ahí hay la mesa als onjuist, omdat na hay geen bepaald lidwoord staat. Het wordt ahí hay una mesa.

Voor vervoer noemt het leerplan la estación de tren, de metro en de autobuses, la parada de autobús, de taxi en de metro, en voor kaartjes un billete de ida (enkele reis) en un billete de ida y vuelta (retour). Je reist en metro, en coche, en autobús of en avión, en je neemt een voertuig met coger of tomar. Over dat werkwoord is hieronder meer te lezen.

Bij geld hoort el precio, caro en barato, cambiar dinero, el euro en el céntimo. Naar de prijs vraag je met ¿cuánto cuesta? De getallen waarmee je een prijs uitspreekt of een tijd noemt, staan bij Spaanse cijfers en tellen. Moet je een naam of een woord spellen, bijvoorbeeld aan een balie, dan helpt het Spaanse alfabet.

Bij een noodgeval: 112 en de woorden voor een arts

Het algemene alarmnummer in Spanje is 112. Voor de politie noemt Nederland Wereldwijd, de informatiesite van het ministerie van Buitenlandse Zaken, ook 062 voor de Guardia Civil. Om hulp vraag je met ¿puedes ayudarme?, of met ¿puede ayudarme? als je usted zegt.

Voor gezondheid zijn er el médico, la enfermera en la farmacia. Je zegt wat je mankeert met tener: tengo fiebre, tengo alergia, tengo dolor de cabeza, tengo dolor de estómago. Ben je ziek, dan zeg je estoy enfermo, en medicijnen neem je met tomar una medicina.

Waar Spanje en Spaanstalig Amerika verschillen: coger, vosotros en usted

Het werkwoord coger staat in het leerplan naast tomar: coger un taxi of tomar un taxi, coger el metro of tomar el metro. In Spanje is coger een gewoon werkwoord voor nemen of pakken. In Amerika is dat bijna nergens zo. De Mexicaanse taalkundige José G. Moreno de Alba schrijft in zijn Minucias del lenguaje, dat de Academia Mexicana de la Lengua online uitgeeft, dat coger in bijna alle Amerikaanse landen vanwege de seksuele betekenis sterk als taboewoord geldt. Waar je coger zou kunnen zeggen, geeft men in het Spaans van Amerika, vooral gesproken, de voorkeur aan agarrar.

Moreno de Alba vergelijkt ook hoe vaak sprekers de twee werkwoorden gebruiken. In het Spaans van Europa komt coger ongeveer tien keer zo vaak voor als agarrar, in het Spaans van Amerika ongeveer even vaak. Wie in Spanje coger el autobús zegt, zegt wat Spanjaarden zelf zeggen. Wie ook naar Amerika reist, kan beter tomar gebruiken, dat het leerplan als gelijkwaardige keuze noemt. Tomar heeft bovendien de breedste betekenis van de drie: je kunt tomar una decisión, een besluit nemen, maar niet coger una decisión of agarrar una decisión.

Een tweede verschil zit in het woord voor jullie. In het grootste deel van Spanje is vosotros (vosotras voor een groep vrouwen) de vorm waarmee je meerdere bekenden aanspreekt. In Spaanstalig Amerika, in de zuidelijke variëteiten van het Spaans in Spanje en op de Canarische Eilanden bestaat alleen ustedes en ontbreken de vosotros-vormen, aldus het leerplan. Voor één persoon geeft het leerplan een regel voor usted: die vorm toont sociaal respect of afstand. In Spaanstalig Amerika kiezen sprekers er volgens het leerplan eerder voor bij onbekendheid, hiërarchie of sociale afstand.

Naast het Spaans: gràcies, eskerrik asko en grazas

Het Spaans is in heel Spanje officieel, maar in een deel van het land is daarnaast een tweede taal officieel: Catalaans in Catalonië en op de Balearen, Baskisch in Baskenland en Galicisch in Galicië. Bedanken klinkt daar als gràcies, eskerrik asko of grazas, en de ochtendgroet als bon dia, egun on of bos días. Meer over die taal staat bij Catalaans. De formules op deze pagina zijn Spaans en zijn in heel Spanje te gebruiken.

Spaanse woorden die al in het Nederlands zitten

Een deel van de woorden die je nodig hebt, ken je al, omdat het Nederlands ze uit het Spaans heeft overgenomen. De Etymologiebank van het Instituut voor de Nederlandse Taal geeft per woord de herkomst. Siësta komt uit het Spaans en gaat terug op het Latijnse sexta hora, het zesde uur, het middaguur. Bij andere woorden was het Spaans een tussenstap: tomaat en chocolade komen uit het Nahuatl, de taal van de Azteken, en orkaan uit het Taíno, een taal van de Caribische eilanden. Bij tomaat liep de route volgens de Etymologiebank mogelijk deels ook via het Frans.

De vroegste Nederlandse vorm van vanille, Bainilla in 1682, begint met een b. Volgens de Etymologiebank komt dat doordat de Spaanse v als een b wordt uitgesproken. Wat er met die v en b gebeurt, staat bij de uitspraak van de Spaanse letters.

Zes Nederlandse woorden die uit het Spaans komen
Nederlands Spaans Herkomst Eerste Nederlandse vermelding
siësta siesta Latijn, sexta hora, het zesde uur 1824
tomaat tomate Nahuatl, tómatl 1608
chocolade chocolate Nahuatl, chocolatl zeventiende eeuw; de spelling chocolade sinds 1699
vanille vainilla verkleinwoord van vaina, peul of schede 1682, als Bainilla
orkaan huracán Taíno 1644, als Uracaen
kano canoa talen van de Cariben 1596, als canoen

Bron: Etymologiebank van het Instituut voor de Nederlandse Taal

Veelgestelde vragen

Hoe vraag je of iemand Engels spreekt?

Met ¿habla inglés? als je usted zegt en met ¿hablas inglés? als je tutoyeert. De eerste vorm hoort bij sociaal respect of afstand. Let op de schrijfwijze: talen en nationaliteiten krijgen in het Spaans een kleine letter, dus inglés en español. Versta je het antwoord niet, dan vraag je om más despacio, por favor.

Hoe schrijf je een vraag of uitroep in het Spaans?

Het Spaans markeert zowel het begin als het einde van een vraag of uitroep. Het leerplan noemt het openen en sluiten van die tekens verplicht, met ¿Cómo te llamas? en ¡Hola! als voorbeelden. Het vraagwoord krijgt daarbij een accent: qué in ¿Qué lees? heeft er een, que in el libro que leo niet. Het accent blijft ook staan in hoofdletters, dus INÉS en niet INES.

Wat betekent vale?

Vale is een manier om met iets in te stemmen, ongeveer oké. Het leerplan noemt het op A2-niveau als antwoord op een aanbod, naast de acuerdo, akkoord, en sí, gracias. Wil je iets afslaan, dan is het antwoord uit het leerplan no, (muchas) gracias. Het woord stemt in met een aanbod of voorstel en vervangt geen gracias.

Bronnen

Verder lezen

Verwante onderwerpen

Cultuur · Taal

Begroetingen in het Spaans

Welke Spaanse begroeting je op welk moment gebruikt, hoe formeel ze klinken en wat je terugzegt.

Cultuur · Taal

Dankjewel in het Spaans

Bedanken in het Spaans gaat met gracias, en het gewone antwoord daarop is de nada.

Cultuur · Taal

Proost in het Spaans

Proost zeg je in het Spaans met salud, en een toast uitbrengen doe je met brindar por.

Cultuur · Taal

Spaanse taal

Spaans is in heel Spanje officieel; in zes autonome gemeenschappen geldt ook een tweede officiële taal.