Naar de inhoud
Cultuur · Geschiedenis

De Tweede Republiek

De Tweede Republiek was de staatsvorm van Spanje tussen 14 april 1931 en het einde van de burgeroorlog in 1939. Ze ontstond nadat republikeinen de gemeenteraadsverkiezingen in de grote steden hadden gewonnen en koning Alfonso XIII het land verliet. De grondwet van 9 december 1931 gaf vrouwen stemrecht en schrapte de staatsgodsdienst.

Gepubliceerd op 5 oktober 2026Leestijd ongeveer 4 minuten
De proclamatie van de Tweede Republiek op de Plaça de Sant Jaume in Barcelona, 14 april 1931.
Foto: Josep Maria Sagarra; bron: Banda Municipal de Barcelona, Publiek domein, via Wikimedia Commons.
Op deze pagina
Periode
14 april 1931 tot 1939
Grondwet
9 december 1931, 125 artikelen
Eerste president
Niceto Alcalá-Zamora, vanaf 15 december 1931
Parlement
Cortes met één kamer

Van gemeenteraadsverkiezingen naar een republiek, in twee dagen

De Tweede Republiek is in de Spaanse geschiedenis de periode tussen 14 april 1931 en 1939, waarin Spanje geen koning had maar een gekozen staatshoofd. Het begin lag bij een stemming die daar formeel niet over ging: de gemeenteraadsverkiezingen van 12 april 1931. Monarchistische kandidaten haalden in het land als geheel de meeste raadszetels, maar in de provinciehoofdsteden wonnen de republikeinen, met Madrid, Barcelona en Valencia voorop. Die uitslag werd gelezen als een oordeel over de monarchie.

Twee dagen later werd de Republiek uitgeroepen en verliet koning Alfonso XIII het land. Niceto Alcalá-Zamora vormde een voorlopige regering, die tot december 1931 aanbleef. Voor de verkiezing van grondwetgevende Cortes werd in mei 1931 de kieswet aangepast; de stemgerechtigde leeftijd ging daarbij van 25 naar 23 jaar. De republikeins-socialistische lijsten wonnen ruim. Onder de gekozen afgevaardigden zaten Miguel de Unamuno, Gregorio Marañón en José Ortega y Gasset, bekende namen uit het Spaanse culturele leven. Op 14 juli 1931 kwamen de Cortes voor het eerst bijeen, met Julián Besteiro als voorzitter.

Wat de grondwet van 1931 veranderde

Besteiro kondigde de grondwet op 9 december 1931 af; ze telde 125 artikelen. Artikel 1 omschreef Spanje als una República democrática de trabajadores de toda clase, een democratische republiek van werkenden van allerlei slag, en als een Estado integral: één staat, maar verenigbaar met zelfbestuur van gemeenten en regio's. Het parlement kreeg één kamer, en de president ruime bevoegdheden: hij benoemde de regering, kon het parlement ontbinden en had een opschortend veto op wetten. Alcalá-Zamora werd op 15 december 1931 tot president gekozen.

Nieuw was ook het Tribunal de Garantías Constitucionales, een hof dat moest toezien op de grondrechten; de wet die het instelde kwam er op 14 juni 1933. Het scherpste conflict ging over de kerk. Artikel 3 bepaalde dat de staat geen officiële godsdienst heeft, en artikel 26 maakte een einde aan de financiële steun van de staat aan de katholieke kerk en aan de kloosterorden. Over die kwestie trad Alcalá-Zamora af als regeringsleider, waarna Manuel Azaña hem opvolgde. De verwevenheid van kerk en staat die hier werd losgemaakt, gaat in Spanje terug op de christelijke koninkrijken van de Reconquista.

Artikel 36 en het vrouwenkiesrecht

Of vrouwen mochten stemmen, werd apart beslist. Clara Campoamor en Victoria Kent, allebei afgevaardigde in deze Cortes, bepleitten het tegenovergestelde: Campoamor wilde het stemrecht meteen, Kent wilde het uitstellen. Op 1 oktober 1931 nam het parlement artikel 36 aan, dat burgers van beide geslachten vanaf 23 jaar dezelfde kiesrechten gaf. Bij algemene verkiezingen brachten vrouwen voor het eerst een stem uit op 19 november 1933.

Drie perioden met telkens een andere meerderheid

De Republiek duurde acht jaar en hield in die tijd drie parlementsverkiezingen, met drie verschillende uitkomsten. De eerste jaren gingen op aan hervormingswetten, van de agrarische hervorming tot wereldlijke begraafplaatsen en het burgerlijk huwelijk met echtscheiding. De verkiezingen van 19 november 1933 brachten rechts aan de macht, met de CEDA als grootste partij.

Bij de verkiezingen van 16 februari 1936 won het Frente Popular, een verbond van linkse partijen, met 257 afgevaardigden, en Azaña werd opnieuw regeringsleider. Vijf maanden later kwam een deel van het leger in opstand.

De drie legislaturen van de Tweede Republiek
Legislatuur Meerderheid na de verkiezingen Wat eruit springt
1931-1933 Republikeins-socialistisch, gekozen in juni 1931 Grondwet van 1931, agrarische hervorming, wet ter verdediging van de Republiek (20 oktober 1931), burgerlijk huwelijk en echtscheiding
1933-1935 Rechts, met de CEDA als grootste, gekozen op 19 november 1933 Opstand in Asturië en uitroeping van een Catalaanse staat, oktober 1934
1936-1939 Frente Popular met 257 afgevaardigden, gekozen op 16 februari 1936 Militaire opstand op 17 en 18 juli 1936, daarna oorlog

Bron: Congreso de los Diputados, II República Española 1931-1939

Waar de Republiek ophoudt en de burgeroorlog begint

De Republiek en de Spaanse Burgeroorlog worden vaak als hetzelfde behandeld, terwijl ze elkaar maar gedeeltelijk overlappen. De Republiek bestond ruim vijf jaar in vredestijd voordat op 17 en 18 juli 1936 de militaire opstand in Marokko begon. Daarna bleef ze de wettige regering van het gebied buiten de macht van de opstandelingen.

Het parlement kwam in die oorlogsjaren nauwelijks nog bijeen. De zittingen werden op 1 oktober 1936 opgeschort, en de Cortes verplaatsten zich met het front mee, van Valencia naar Barcelona en uiteindelijk naar Figueres. De laatste vergaderingen van de permanente deputatie vonden in maart 1939 in Parijs plaats, waar het aftreden van Azaña ter sprake kwam en Juan Negrín, de laatste regeringsleider, op 1 april 1939 voor het laatst verscheen. Wat volgde was de dictatuur van Francisco Franco.

De data, de wetten en de verkiezingsuitslagen liggen vast. Over de vraag waarom de Republiek het niet hield, verschillen historici van mening: de nadruk valt op de polarisatie tussen links en rechts, op de weerstand tegen de hervormingen of op het optreden van het leger. Die discussie is niet beslecht.

Veelgestelde vragen

Kreeg Catalonië een eigen bestuur onder de Tweede Republiek?

Ja. De grondwet van 1931 noemde Spanje een Estado integral dat verenigbaar was met zelfbestuur van gemeenten en regio's, en in september 1932 keurden de Cortes een autonomiestatuut voor Catalonië goed. De Generalitat kreeg daarmee opnieuw eigen bestuursbevoegdheden. Hoe ver die autonomie reikte, bleef omstreden: in oktober 1934 riep de Catalaanse regering een eigen staat binnen een federaal Spanje uit.

Bronnen

Verder lezen

Verwante onderwerpen

Cultuur · Geschiedenis

Al-Andalus

Het deel van Spanje dat tussen 711 en 1492 onder moslimbestuur stond, en wat ervan is overgebleven.

Cultuur · Geschiedenis

De Moren in Spanje

De verzamelnaam voor de moslims van middeleeuws Spanje: wie zij waren, wat er met hen gebeurde en wat bleef.

Cultuur · Geschiedenis

De Reconquista

De christelijke verovering van Al-Andalus tussen 722 en 1492, en de herkomst van het woord Reconquista.

Cultuur · Geschiedenis

Spaanse geschiedenis

Van de eerste bewoners van Atapuerca tot de grondwet van 1978: de hoofdlijn van de Spaanse geschiedenis in negen perioden.