Op deze pagina
- Periode
- 1478 tot 1834
- Oprichting
- Bul van Sixtus IV, 1 november 1478
- Eerste tribunaal
- Sevilla, 1480
- Tribunalen
- 16 in Spanje, 5 overzee
- Definitief opgeheven
- 15 juli 1834
- Hoort bij
- Spaanse geschiedenis
De oprichting in 1478 en het tribunaal van Sevilla
De Spaanse Inquisitie was een rechtbank voor geloofszaken die van 1478 tot 1834 bestond, bijna drieënhalve eeuw in de Spaanse geschiedenis. Ze werd opgericht in de laatste decennia van de Reconquista, de christelijke herovering van het schiereiland die in 1492 eindigde met de val van Granada. Op 1 november 1478 vaardigde paus Sixtus IV een bul uit waarmee Isabella van Castilië en Ferdinand van Aragón inquisiteurs mochten aanstellen om zaken van geloof te onderzoeken.
De eerste twee inquisiteurs, beiden dominicanen, kregen hun opdracht op 27 september 1480 en vestigden zich in Sevilla. Het eerste auto de fe volgde op 6 februari 1481, waarbij zes mensen werden verbrand. Op 17 oktober 1483 werd Tomás de Torquemada inquisiteur-generaal. Hij legde de procedure vast in een reeks instructies van 28 artikelen.
Het net bestond uit zestien tribunalen in het huidige Spanje en vijf overzee. In de streek werkten comisarios, geestelijke functionarissen, en onbezoldigde leken, de familiares. Boven de tribunalen stond de centrale raad, de Suprema. Het gezag was dubbel. Ferdinand VII beschreef in 1814 de bevoegdheid van het Heilig Officie als een kerkelijke, door de pausen op verzoek van de koningen verleend, en een koninklijke, door de koningen zelf gegeven.
Wie er voor de inquisitie moest verschijnen
De eerste verdachten waren vooral conversos: joden die zich hadden laten dopen, en hun nakomelingen, van wie werd vermoed dat ze in het geheim joods bleven. Daarnaast richtte het tribunaal zich op moriscos, gedoopte moslims en hun nakomelingen. Hun geschiedenis staat op de pagina De Moren in Spanje, en hun voorouders leefden in Al-Andalus. Later kwamen protestanten, godslasteraars en mensen die van hekserij werden beticht erbij.
Ruim een kwart van de processen ging over zogeheten ketterse uitspraken: mondelinge of geschreven stellingen die als ketters of godslasterlijk golden. Ongeveer een tiende van de verdachten was geestelijke en een kwart was vrouw. Ook rond 1700 werden nog bekeerde joden vervolgd: tussen 1675 en 1730 stonden meer dan 2.200 mensen terecht omdat ze joodse gebruiken zouden naleven.
Hoe een proces verliep
Een zaak begon met een aangifte, en de verklaringen van getuigen bleven geheim voor de verdachte. In de beginjaren kregen verdachte bekeerde joden een genadetermijn van dertig of veertig dagen, soms verlengd tot zeventig, waarin ze vrijwillig konden bekennen. Foltering kwam voor, maar een bekentenis die onder foltering was afgelegd, mocht alleen in bepaalde soorten zaken als bewijs dienen.
De straffen liepen uiteen van een berisping tot de brandstapel. Veroordeelden droegen bij de openbare bekendmaking van het vonnis een boetekleed, de sanbenito, en hun bezittingen werden verbeurd verklaard. In Sevilla viel in 1481 het vermogen van enkele rijke conversos aan de kroon toe.
Hoeveel processen en hoeveel doden
Over de aantallen bestaan twee soorten gegevens. Het eerste is het aantal processen. Onderzoekers verzamelden voor een studie uit 2021 67.521 processen, waarvan 43.526 rechtstreeks uit primaire bronnen. Met een statistisch model schatten ze het totaal over de hele periode op ongeveer 136.000 processen, in lijn met eerdere schattingen van 115.000 tot 135.000. Ongeveer de helft van het geschatte totaal ontbreekt dus in hun database.
Het tweede is het aantal executies, en dat is omstreden. Een naslagwerk van EBSCO noemt schattingen die uiteenlopen van minder dan 4.000 tot meer dan 31.000 executies in drie eeuwen. De bronnen die voor deze pagina zijn geraadpleegd, laten niet toe om één getal te kiezen. Voor één afgebakende groep is er wel een percentage: van de meer dan 2.200 mensen die tussen 1675 en 1730 terechtstonden wegens joodse gebruiken, werd ongeveer 3 procent geëxecuteerd, en de meesten zaten jarenlang gevangen.
Vijf besluiten tussen 1808 en 1834
De inquisitie verdween niet met één besluit. Tussen 1808 en 1834 werd ze vier keer opgeheven en één keer hersteld, telkens bij een wisseling van bewind. Alle vijf de besluiten staan in de Gaceta de Madrid, de officiële gazette van die tijd, en de gescande pagina's zijn online te lezen via het Boletín Oficial del Estado.
Het besluit van 1813 hief het tribunaal op, maar niet het delict ketterij: de bevoegdheid ging terug naar de bisschoppen en hun vicarissen, en wereldlijke rechters legden de straffen op die de wet kende. Ferdinand VII liet in 1814 de Suprema en de tribunalen voorlopig terugkeren, met de regels die in 1808 voor het tribunaal golden, en stelde een commissie in die de werkwijze en de boekencensuur moest onderzoeken. Zijn motivering was dat Spanje zich in de zestiende eeuw dankzij het tribunaal niet had laten besmetten met de dwalingen die andere landen troffen, terwijl in Spanje letteren en heiligheid bloeiden. Dat is een argument van de koning en geen uitkomst van onderzoek. De bloei van de letteren waarnaar hij verwees, valt in de Spaanse Gouden Eeuw.
Twee besluiten hebben iets gemeen: in 1808 en in 1834 werd het vermogen van het tribunaal bestemd voor de staatsschuld. In 1834 ging het daarbij ook om de 101 kanunnikschappen die aan de inquisitie waren verbonden. Het besluit van 1834 verwijst bovendien naar een koninklijk besluit van 4 januari 1834, waarmee de censuur op geschriften over geloof en zeden al aan de bisschoppen was overgelaten.
| Datum | Besluit van | Wat het bepaalde |
|---|---|---|
| 4 december 1808 | Napoleon, vanuit zijn kamp bij Madrid | Het tribunaal werd opgeheven als aantasting van de soevereiniteit en het burgerlijk gezag. Zijn bezittingen werden in beslag genomen als onderpand voor de staatsschuld. |
| 22 februari 1813 | De Cortes van Cádiz | Het tribunaal werd onverenigbaar verklaard met de grondwet van 1812. Geloofszaken gingen naar de bisschoppen en hun vicarissen, en iedere Spanjaard mocht van ketterij aangifte doen bij het kerkelijke gerecht. |
| 21 juli 1814 | Ferdinand VII | De raad en de tribunalen van het Heilig Officie begonnen voorlopig opnieuw, met de regels die in 1808 golden. Een commissie van vier mannen kreeg de opdracht de werkwijze en de boekencensuur te onderzoeken. |
| 9 maart 1820 | Ferdinand VII, na het beëdigen van de grondwet van 1812 | Het tribunaal en de Suprema werden in de hele monarchie opgeheven. Gevangenen die om politieke of religieuze opvattingen vastzaten, kwamen direct vrij; de zaken van de laatste groep gingen naar de bisschoppen. |
| 15 juli 1834 | De regentes María Cristina, namens Isabella II | Het tribunaal werd definitief opgeheven. Zijn bezittingen en de 101 aan de inquisitie verbonden kanunnikschappen gingen naar de aflossing van de staatsschuld. |
Veelgestelde vragen
Wat was een auto de fe?
Een auto de fe, letterlijk een daad van geloof, was een openbare plechtigheid waarin de inquisitie vonnissen bekendmaakte. Het bekendste voorbeeld is dat van 30 juni 1680 op de Plaza Mayor in Madrid, gehouden ter viering van het huwelijk van Karel II. Volgens een naslagwerk duurde het veertien uur en keken ongeveer 50.000 mensen toe. Van de 118 beschuldigden werden er minstens 18 verbrand, 54 kregen levenslang en de overigen werden met de kerk verzoend of vrijgesproken; over het exacte aantal doden verschillen de bronnen.
Waar liggen de processtukken van de inquisitie?
Het Archivo Histórico Nacional in Madrid bewaart stukken van de tribunalen, en die zijn online te doorzoeken via PARES, het Portal de Archivos Españoles van het ministerie van Cultuur. Een voorbeeld is een boek met precedenten van het tribunaal van Valencia uit de jaren 1424 tot 1634, met signatuur INQUISICIÓN, L. 960. De database achter de studie uit 2021 combineert zulke archiefstukken met secundaire literatuur.
Bronnen
- Gaceta de Madrid, 1808: decreet van Napoleon van 4 december 1808 (Boletín Oficial del Estado, historische collectie) · Gescande gazettepagina met het decreet dat de inquisitie opheft en haar bezittingen in beslag neemt · geraadpleegd 5 oktober 2026
- Decreet van de Cortes van 22 februari 1813 (Boletín Oficial del Estado, historische collectie) · Gescande gazettepagina's met de tekst van het decreet en het Cádizse regentschapsbesluit van 23 februari 1813 · geraadpleegd 5 oktober 2026
- Suplemento a la Gaceta de Madrid, 23 juli 1814 (Boletín Oficial del Estado, historische collectie) · Gescande gazettepagina's met het decreet van 21 juli 1814 over het herstel van het Heilig Officie · geraadpleegd 5 oktober 2026
- Gaceta Extraordinaria de Madrid, 10 maart 1820 (Boletín Oficial del Estado, historische collectie) · Gescande gazettepagina met het decreet van 9 maart 1820 over de opheffing van het tribunaal en de Suprema · geraadpleegd 5 oktober 2026
- Gaceta de Madrid, 17 juli 1834 (Boletín Oficial del Estado, historische collectie) · Gescande gazettepagina met het koninklijk decreet van 15 juli 1834 · geraadpleegd 5 oktober 2026
- Drelichman, Vidal-Robert en Voth: The long-run effects of religious persecution, Evidence from the Spanish Inquisition (PNAS, 2021) · Wetenschappelijk artikel met een beschrijving van de organisatie, de verdachten en de database van processen · geraadpleegd 5 oktober 2026
- Gottheil en Kayserling: Inquisition, in The Jewish Encyclopedia (1906) · Naslagwerk uit 1906 met de data van de oprichting en de vroege procedure · geraadpleegd 5 oktober 2026
- Thomas Tandy Lewis: Spanish Inquisition's grandiose auto-da-fé (EBSCO Research Starters, 2022) · Naslagartikel over het auto de fe van 1680 en over de omstreden aantallen · geraadpleegd 5 oktober 2026
- Portal de Archivos Españoles (PARES): Libro de ejemplares del Tribunal de Valencia, INQUISICIÓN, L. 960 · Archiefbeschrijving van een stuk uit het Archivo Histórico Nacional · geraadpleegd 5 oktober 2026