Naar de inhoud
Cultuur · Kunst

Francisco Goya

Francisco Goya (1746-1828) was een Spaanse schilder en etser die vanaf 1799 eerste hofschilder in Madrid was. Na een ziekte raakte hij vrijwel doof. Hij etste de satirische reeks Los caprichos, die hij in 1799 uitbracht, en tijdens de oorlog tegen Napoleon Los desastres de la guerra. Die laatste reeks verscheen pas in 1863, toen de Academia de San Fernando de koperplaten had gekocht.

Gepubliceerd op 5 oktober 2026Leestijd ongeveer 5 minuten
Zelfportret van Francisco Goya uit 1815. Reproductie van een schilderij.
Foto: Francisco Goya, Publiek domein, via Wikimedia Commons.
Op deze pagina
Geboren
1746, Fuendetodos (Aragón)
Overleden
1828, Bordeaux
Hofschilder
Eerste hofschilder vanaf 1799
Grafisch werk
Vier etsreeksen, waaronder Los caprichos (1799)

Van Fuendetodos naar het hof in Madrid

Francisco Goya (1746-1828) is een van de bekendste kunstenaars uit de Spaanse cultuur. Hij werd geboren in Fuendetodos in Aragón en werkte tientallen jaren voor het koninklijk hof in Madrid. Hij werkte ruim een eeuw na El Greco en Velázquez, twee eerdere grote namen uit de Spaanse kunst. Naast schilderijen maakte hij vier reeksen etsen: prenten die zijn gedrukt van koperplaten die hij zelf bewerkte.

Goya leerde schilderen in Zaragoza en Madrid en reisde rond 1770 naar Italië. Vanaf 1775 woonde hij in Madrid, waar hij kartons voor wandtapijten ontwierp: geschilderde voorbeelden waarnaar de tapijten werden geweven. In 1786 werd hij hofschilder van Karel III, in 1789 schilder van Karel IV en in 1799 eerste hofschilder.

Na zijn ziekte: Los caprichos

Na een zware ziekte raakte Goya vrijwel doof. De National Gallery en het Museo Thyssen-Bornemisza noemen 1792; de Academia de San Fernando plaatst de ziekte een jaar later en schrijft dat hij herstelde in het huis van zijn vriend Sebastián Martínez in Cádiz. Dat zijn doofheid hem naar tekenen en etsen dreef, is volgens de Academia een interpretatie en geen vaststaand feit.

Tussen 1797 en 1799 etste hij Los caprichos, tachtig prenten over menselijke dwaasheid. Op 6 februari 1799 stond in het Diario de Madrid de eerste advertentie voor de verkoop. Daarin schreef Goya dat hij uit de dwalingen en gebreken van de samenleving, en uit vooroordelen die door gewoonte of eigenbelang in stand worden gehouden, de onderwerpen had gekozen die hem het geschiktst leken om te bespotten. De laatste advertentie verscheen op 19 februari: een politieke omslag dwong hem de reeks uit de verkoop te halen.

In 1803 gaf Goya de tachtig koperplaten en de 240 complete exemplaren die hij nog had aan de Real Calcografía, de koninklijke prentendrukkerij, in ruil voor een pensioen voor zijn zoon.

Hofschilder tijdens de Onafhankelijkheidsoorlog

Toen in 1808 de oorlog tegen Napoleon uitbrak, die in Spanje de Guerra de la Independencia heet en vijf jaar duurde, bleef Goya grotendeels in Madrid. In oktober 1808 ging hij op verzoek van generaal Palafox naar Zaragoza om vast te leggen in welke staat de stad verkeerde na de eerste belegering door de Fransen. Het verzet tegen de Franse bezetting is ook het onderwerp van twee beroemde doeken, De tweede mei in Madrid en De derde mei in Madrid.

Zijn houding tegenover die oorlog was minder eenduidig dan zijn werk doet vermoeden. Hij schilderde portretten van Ferdinand VII, van Palafox en van de hertog van Wellington. Maar in 1810 kreeg hij ook de opdracht voor een allegorie van de stad Madrid met het portret van Jozef Bonaparte, en in 1811 nam hij uit diens handen een onderscheiding aan, de Real Orden de España. Toen Ferdinand VII de troon terugkreeg, schilderde Goya hem opnieuw. De Academia ziet daarin hoe moeilijk het was om in een tijd van omwenteling partij te kiezen. Het portret van Wellington in de National Gallery in Londen, geschilderd in de jaren 1812 tot 1814 kort nadat Wellington Madrid was binnengetrokken, toont geen zegevierende held: de National Gallery beschrijft zijn gezicht als vermoeid en uitgeput van de strijd.

Vanaf 1810 etste Goya Los desastres de la guerra, de rampen van de oorlog; het jaartal staat op drie van de platen. De reeks begint met gevechten, executies en verminkte lijken, gaat over in de hongersnood in Madrid in 1811 en 1812 en eindigt met allegorieën die het bewind van Ferdinand VII bekritiseren. Anders dan in de Caprichos verwijst Goya hier rechtstreeks naar de werkelijkheid. De Academia wijst erop dat anekdotische scènes en heldenportretten ontbreken: het onderwerp is de anonieme, collectieve mens. Wanneer de laatste platen zijn gemaakt, loopt in de literatuur uiteen, van 1815 tot na 1820.

Vier etsreeksen en wat er met de platen gebeurde

Goya bracht twee van zijn vier reeksen zelf uit. Los desastres de la guerra publiceerde hij niet, waarschijnlijk vanwege de moeilijke politieke situatie, aldus het Museum Boijmans Van Beuningen. De platen bleven achter in zijn huis, de Quinta del Sordo aan de Manzanares, toen hij Spanje verliet. Zijn zoon Javier bewaarde ze tot zijn dood in 1854. Daarna kwamen ze via meerdere eigenaren bij Jaime Machén, die ze in 1856 aan de staat aanbood. De staat kocht ze niet. In oktober 1862 kocht de Academia de San Fernando de platen van Los desastres en Los disparates, en in 1863 verscheen de eerste uitgave van de oorlogsreeks, een oplage van vijfhonderd sets.

Die uitgave telde tachtig prenten. De platen 81 en 82 had de verzamelaar Paul Lefort apart opgespoord en in april 1870 aan de Academia geschonken. Daarna raakten ze zoek: pas in juni 1954 werden ze teruggevonden tijdens het inventariseren van de platen in de Calcografía Nacional.

De vier etsreeksen van Goya en hun eerste uitgave
Reeks Eerste uitgave Verschenen tijdens Goya's leven
Los caprichos 1799 Ja
La tauromaquia 1816 Ja
Los desastres de la guerra 1863 Nee
Los disparates 1864 Nee

Bron: Francisco de Goya en Calcografía Nacional, Real Academia de Bellas Artes de San Fernando

Het late werk en het vertrek naar Bordeaux

In februari 1819 verhuisde Goya naar de Quinta del Sordo. Het Museo Thyssen-Bornemisza dateert de Pinturas negras, de zwarte schilderijen, in 1820 en noemt als kleurenpalet zwart, wit en bruin. Dat werk wordt vaak verbonden met een zware ziekte in 1819, maar de Academia noemt dat oorzakelijke verband speculatief. In 1824 vertrok Goya naar Bordeaux, waar hij in 1828 overleed.

Veelgestelde vragen

Waar worden Goya's koperplaten bewaard?

De Calcografía Nacional in Madrid bewaart 228 koperplaten die Goya bewerkte, elf ervan aan beide kanten. Ze worden niet meer afgedrukt: sinds de oprichting van het Gabinete Francisco de Goya in 1990 gelden ze als kunstwerken en niet meer als drukmiddel. De platen van La tauromaquia werden aan het begin van de Burgeroorlog, de oorlog waaruit het bewind van Francisco Franco voortkwam, naar de Calcografía gebracht om ze te beschermen.

Bronnen

Verder lezen

Verwante onderwerpen

Cultuur · Kunst

Antoni Gaudí

De Catalaanse architect achter de Sagrada Família: zijn bouwmethode, zijn zeven werelderfgoedwerken en wat er nog niet af is.

Cultuur · Kunst

Pablo Picasso

De Spaanse jaren van Picasso, de ontwikkeling van zijn werk en waar het in Spanje te zien is.

Cultuur · Kunst

Salvador Dalí

De surrealist uit Figueres: zijn werkwijze, de kust in zijn schilderijen en waar zijn werk nu te zien is.

Cultuur · Kunst

Kunst en cultuur in Spanje

Een koninklijk besluit uit 1995 verdeelde de Spaanse staatscollectie op het geboortejaar van Picasso.