Op deze pagina
Een hoogvlakte met bergen aan bijna elke rand
Het midden van Spanje ligt hoog. De Meseta Central, de hoogvlakte die het binnenland vormt, beslaat volgens het Instituto Geográfico Nacional bijna de helft van het Iberisch Schiereiland en ligt grotendeels tussen 600 en 800 meter boven zeeniveau; voor het schiereiland als geheel komt de gemiddelde hoogte uit op ongeveer 660 meter. Het weerstation van AEMET in het Retiropark in Madrid staat op 667 meter, ongeveer op die gemiddelde hoogte. Hoogte hoort bij de verschillen tussen de Spaanse bestemmingen, want een plaats op de Meseta krijgt ander weer dan een plaats aan de kust.
Rond de hoogvlakte liggen bergketens. Aan de noordkant het Cantabrisch Gebergte, in het oosten het Iberisch Systeem en in het zuiden de Sierra Morena. Daarbuiten liggen de Pyreneeën en, in het zuidoosten, de Betische ketens. Het Instituto Geográfico Nacional beschrijft deze bergketens als natuurlijke barrières die de invloed van de zee en de vochtige lucht van de Atlantische Oceaan tegenhouden, en dat zie je terug in de neerslagcijfers. De hoogste top van het vasteland is de Mulhacén in de Sierra Nevada met 3.479 meter; in de Pyreneeën haalt de Aneto 3.404 meter. Hoger dan allebei is de Teide op Tenerife, die met 3.715 meter het hoogste punt van heel Spanje is.
De Meseta helt naar het westen, en daarom stromen de Duero, de Taag en de Guadiana richting de Atlantische Oceaan in plaats van richting de Middellandse Zee. Aan de Duero ligt Zamora en aan de Taag Toledo, binnenlandsteden die ver van de zee liggen.
Voor het plannen van een route betekent dit reliëf vooral dat afstanden in Spanje zelden vlak zijn. Van de kust naar het binnenland klim je, en de meeste verbindingen tussen twee landsdelen gaan over een bergrug. Hoe de regio's, provincies en kuststreken over het land verdeeld liggen, laat de kaart van Spanje in één beeld zien.
Waarom het noorden nat is en het zuidoosten droog
De natste en de droogste plaats in de tabel hieronder liggen allebei in Spanje. Het AEMET-station bij Santiago de Compostela meet gemiddeld 1.787 millimeter regen per jaar, verdeeld over bijna 140 dagen. Op de luchthaven van Almería is dat 200 millimeter over ruim 25 dagen, bijna negen keer zo weinig water.
Dat verschil volgt niet de breedtegraad maar de ligging ten opzichte van de Atlantische Oceaan. De vochtige westenwind komt vanaf de oceaan binnen en loopt eerst op tegen de bergen langs de noordkant, die het Instituto Geográfico Nacional beschrijft als natuurlijke barrières tegen die luchtmassa's. Het Atlas Nacional de España, ook van het IGN, noemt de westkant van Galicië als voorbeeld van een streek die sterk aan die Atlantische storingen is blootgesteld, met neerslag boven de 1.800 millimeter per jaar. Vallei- en dalgebieden die door het omringende reliëf tegen de vochtige lucht zijn afgeschermd, vallen volgens hetzelfde atlas in een regenschaduw. De droge tot halfwoestijnachtige zone beperkt het atlas tot het zuidoosten van het schiereiland, van Alicante tot Almería.
Een jaargemiddelde zegt op zichzelf weinig over hoe een plaats aanvoelt. Madrid en A Coruña staan in de tabel bijna gelijk, met 15,0 en 14,8 °C, terwijl de verdeling over het jaar sterk verschilt. In A Coruña is de gemiddelde maximumtemperatuur in januari 13,5 °C en in juli 22,1 °C. In Madrid is dat 9,8 °C in januari en 32,1 °C in juli, met een gemiddelde minimumtemperatuur van 2,7 °C in januari. Dezelfde jaarwaarde dekt hier dus een mild kustklimaat en een binnenland met koude winters en hete zomers.
Droog en zuidelijk vallen in Spanje evenmin samen. Sevilla ligt zuidelijker dan Valencia en Madrid en is warmer dan allebei, maar krijgt met 539 millimeter per jaar meer regen dan Valencia (475 millimeter) en Madrid (421 millimeter). Het echt droge gebied ligt in het zuidoosten, tussen Alicante en Almería. Per kuststreek lopen die verschillen verder uiteen, en de Spaanse kusten zet ze naast elkaar van de Costa Brava tot de Rías Baixas.
Dit zijn klimaatnormalen: gemiddelden over de periode 1981 tot en met 2010, geen verwachting voor een losse reisdag. Een regendag is in deze reeks een dag waarop minstens 1 millimeter neerslag is gemeten, niet een dag die verregent. AEMET publiceert klimaatkaarten voor zowel 1981 tot en met 2010 als 1991 tot en met 2020; de tabellen per meetstation die hier zijn gebruikt, geven de eerste periode.
| Meetstation | Hoogte | Jaargemiddelde temperatuur | Neerslag per jaar | Regendagen per jaar |
|---|---|---|---|---|
| Santiago de Compostela, luchthaven | 370 m | 13,0 °C | 1.787 mm | 139,5 |
| Bilbao, luchthaven | 42 m | 14,7 °C | 1.134 mm | 124,0 |
| A Coruña | 57 m | 14,8 °C | 1.014 mm | 129,6 |
| Sevilla, luchthaven | 34 m | 19,2 °C | 539 mm | 50,5 |
| Valencia | 13 m | 18,3 °C | 475 mm | 46,3 |
| Madrid, Retiro | 667 m | 15,0 °C | 421 mm | 59,4 |
| Santa Cruz de Tenerife | 36 m | 21,5 °C | 226 mm | 29,7 |
| Almería, luchthaven | 21 m | 19,1 °C | 200 mm | 25,4 |
Bron: AEMET, valores climatológicos normales per meetstation
Bijna vijftig miljoen inwoners, en vier op de tien in een grote stad
Op 1 januari 2025 telde Spanje 49.128.297 inwoners, volgens de jaarlijkse bevolkingstelling van het Instituto Nacional de Estadística. Daarvan hadden 6.911.971 mensen een buitenlandse nationaliteit, 14,1 procent van het totaal. In het jaar ervoor kwamen er ruim 500.000 inwoners bij.
Die bevolking zit niet gelijkmatig over het land verspreid. Volgens dezelfde telling woonde 40,9 procent van de Spanjaarden in een gemeente met meer dan 100.000 inwoners en nog eens 27,0 procent in een gemeente tussen 10.001 en 50.000 inwoners. De grootste groei in absolute aantallen zat in Catalonië, met bijna 112.000 inwoners erbij, in de Valenciaanse Gemeenschap met ruim 105.000 en in Madrid met ruim 104.000. Relatief groeide de Valenciaanse Gemeenschap het hardst, met 2,0 procent.
Het beeld van een leeglopend binnenland klopt daarbij maar ten dele. Extremadura was de enige autonome regio die inwoners verloor, en van de provincies daalde Zamora het sterkst, met 0,4 procent. Tegelijk bleef de bevolking in 53,9 procent van alle Spaanse gemeenten gelijk of nam ze toe, terwijl ze in de overige 46,1 procent afnam. Van een daling over de hele linie is dus geen sprake, maar van een gelijkmatige groei ook niet. Wat de cijfers wel laten zien, is waar de aanwas zich ophoopt: de drie regio's met de grootste absolute groei zijn ook de regio's van Barcelona, Valencia en Madrid, drie van de plaatsen die je terugvindt in het overzicht van de steden van Spanje.
Castiliaans in heel Spanje, en de medeofficiële talen daarnaast
Artikel 3 van de Spaanse grondwet legt vast dat het Castiliaans, in het Spaans castellano, de officiële taal van de staat is, en dat alle Spanjaarden de plicht hebben die te kennen en het recht die te gebruiken. Hetzelfde artikel bepaalt dat de overige Spaanse talen ook officieel zijn in hun eigen autonome gemeenschap, volgens het statuut van die gemeenschap. Welke taal waar geldt, staat dus niet in de grondwet zelf maar in de regionale statuten.
In Catalonië noemt artikel 6 van het statuut het Catalaans de eigen taal van de regio en verklaart het zowel het Catalaans als het Castiliaans officieel. Datzelfde artikel geeft het Occitaans, dat in de Val d'Aran aranés heet, een officiële status in heel Catalonië en niet alleen in die vallei. Het statuut van Galicië noemt het Galicisch de eigen taal van Galicië en verklaart Galicisch en Castiliaans allebei officieel. Het Baskische statuut doet hetzelfde voor het euskera, dat het omschrijft als de eigen taal van het Baskische volk.
De Valenciaanse Gemeenschap heeft een eigen regeling. Haar statuut noemt de eigen taal valencià, Valenciaans, en wijst de Acadèmia Valenciana de la Llengua aan als de instantie die de taalnorm vaststelt. Het Catalaans komt in die statuuttekst niet voor. Hoe de namen Valenciaans en Catalaans zich tot elkaar verhouden, is in Spanje zelf een lopende discussie, en de statuten beslechten die niet.
Voor een bezoeker zit het gevolg vooral in wat je leest. In de medeofficiële gebieden staan borden, menukaarten, dienstregelingen en museumteksten vaak in twee talen, en dezelfde plaats draagt soms twee namen. Omdat de grondwet het kennen van het Castiliaans voor alle Spanjaarden als plicht vastlegt, is Spaans in het hele land bruikbaar; de medeofficiële talen komen daar in hun eigen gebied bij en vervangen het niet.
Vierenveertig culturele en vier natuurlijke werelderfgoedplaatsen
Spanje staat met vijftig plaatsen op de werelderfgoedlijst van UNESCO. Daarvan zijn er 44 cultureel, vier natuurlijk en twee gemengd, wat betekent dat ze zowel om hun cultuur als om hun natuur zijn ingeschreven. Spanje aanvaardde het werelderfgoedverdrag op 4 mei 1982, en de lijst is sindsdien in stappen gegroeid.
De inschrijvingen van de afgelopen jaren laten zien hoe uiteenlopend die lijst is. In 2018 kwam de kalifale stad Medina Azahara bij Córdoba erbij, in 2019 het cultuurlandschap Risco Caído en de heilige bergen van Gran Canaria, in 2021 de Madrileense as van het Paseo del Prado en het Retiropark, en in 2023 het talayotische Menorca, een reeks prehistorische bouwwerken op een van de Balearen. Een paleisstad uit de tiende eeuw, een berglandschap met grotnederzettingen en heiligdommen uit de tijd vóór de Spaanse verovering, een promenade met parken en wetenschappelijke instellingen in het hart van Madrid en een prehistorische bouwcultuur staan daarmee naast elkaar op dezelfde lijst.
Naast het werelderfgoed bestaat er een eigen Spaans stelsel voor natuur: het netwerk van zestien nationale parken, beheerd door het Ministerio para la Transición Ecológica. Vier daarvan liggen op de Canarische Eilanden: Teide op Tenerife, Timanfaya op Lanzarote, Caldera de Taburiente op La Palma en Garajonay op La Gomera. Volgens het ministerie is Teide het drukstbezochte park van het hele netwerk. Op het vasteland horen onder meer Doñana, de Picos de Europa en de Sierra Nevada erbij; in dat laatste gebied groeien volgens het ministerie meer dan tweeduizend plantensoorten, waarvan 66 nergens anders voorkomen. Welke parken waar liggen en wat er beschermd wordt, staat bij de nationale parken van Spanje.
Zomerhitte in het binnenland, winterzon op de Canarische Eilanden
Een reismoment dat voor de ene streek goed uitpakt, werkt voor de andere minder. In juli ligt de gemiddelde maximumtemperatuur op de luchthaven van Sevilla op 36,0 °C en in Madrid op 32,1 °C, terwijl A Coruña aan de Atlantische noordkust in dezelfde maand op 22,1 °C uitkomt. Wie in de zomer liever niet in de hitte rondloopt, heeft aan de noordkust daarom meer keuze in zijn dagindeling dan in het binnenland of in Sevilla.
In de winter draait de verhouding om. In januari is de gemiddelde maximumtemperatuur in Madrid 9,8 °C, met een gemiddelde minimumtemperatuur van 2,7 °C. In Santa Cruz de Tenerife is de gemiddelde maximumtemperatuur in diezelfde maand 21,0 °C. Wie in januari buiten wil zitten, kijkt daarom eerder naar de Canarische Eilanden dan naar het Spaanse binnenland.
Ook de regen volgt niet overal dezelfde kalender. Aan de Atlantische noordkust valt het hele jaar neerslag, met een natter najaar en een drogere zomer: A Coruña telt gemiddeld 129,6 regendagen en Bilbao 124, en november is in Bilbao de natste maand. In Almería in het zuidoosten valt de meeste regen van oktober tot en met december, en in juli en augustus gemiddeld 1 millimeter.
Naast het weer bepaalt de drukte of een periode prettig is. Spanje ontving in 2025 volgens het Instituto Nacional de Estadística 96,8 miljoen buitenlandse toeristen, een record. Catalonië kreeg daarvan 20,1 miljoen, de Balearen 15,7 miljoen en de Canarische Eilanden eveneens 15,7 miljoen. Die drie zijn samen goed voor ruim de helft van alle buitenlandse bezoekers, en het zijn alle drie kust- of eilandbestemmingen. Welke stranden aan die kusten liggen en waarin ze van elkaar verschillen, staat bij de bekendste stranden van Spanje.